preken & praatjes op maandag

Geen traditionele zondagspreken hier, maar elke maandag een actuele preek, gegeven in de kapel van Huize Glorieux te Eindhoven.

maandag 20 september 2021

“Aan degene die heeft, zal gegeven worden, en aan degene die niets heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij dacht te hebben.” Deze woorden uit het evangelie van Lucas vormen vandaag (en altijd) ons struikelblok. Ze lijken een adequate en cynische beschrijving van hoe het in ons gave land onder Rutte er aan toe gaat. De rijken krijgen het steeds beter, worden altijd bevoordeeld, de armen krijgen het steeds slechter, worden altijd benadeeld. Het ongemakkelijke is dat wij nauwelijks, of zeg maar gewoon niet, tot de armen behoren: wij zijn rijk, wij hebben en aan ons zal gegeven worden. Maar lezen we de woorden op die manier goed? Jezus geeft niet voor niets een waarschuwing vooraf: let goed op hoe je hoort (c.q. leest). Maar een leessleutel of een aanwijzing hoe te horen geeft hij niet. Bedenk het zelf maar.

Ik vond een sleutel in Filosofie (mei/juni 2021) met als thema Filosofie en mystiek. Een artikel van Michel Dijkstra met als titel: Wees je eigen lamp? ‘Eigen kracht’ en ‘andere kracht’ in Bendowa van zenmeester Dogen. In dat artikel gaat het over een lamp, over licht, precies de woorden van het korte fragment van Lucas. In het Boeddhisme gaat het over Verlichting, zoveel weten we er toch wel van, als de uitkomst van een Weg die de leerling moet afleggen. Waar zit het licht, waar komt het vandaan? Er zijn ruwweg twee antwoorden, die tegelijkertijd twee scholen vormen. Het licht komt van buiten in de mens is het ene antwoord; het andere antwoord is dat het licht altijd al in de mens zit. Daarmee hangt ook samen het antwoord op de vraag hoe je tot Verlichting komt of bij de Lamp: is dat op eigen kracht of is het een andere kracht? In christelijke termen: is het ascese, oefening, een leven van orde en regelmaat, of is het puur genade, wordt het je geschonken zonder dat het eigen verdienste is? Is het de katholieke of is het de protestantse weg? Door scha en schande wijzer geworden denken we niet meer in die tegenstellingen, het is zowel het een als het ander; je kunt beide benaderingen niet verabsoluteren of tegen elkaar uitspelen. Dat is uiteindelijk ook de uitkomst van de Boeddhisme-kenner Dijkstra die aan het slot van zijn artikel een verwantschap ziet met de christelijke mystiek van Meister Eckhart, Bernardus van Clairvaux en Hadewych van Antwerpen. De overeenkomst is dat de ziel leeg moet zijn om Gods volheid te kunnen ontvangen. Maar de eigen inspanning begint bij een besluit de ziel leeg te maken. Als de ziel de deur dichthoudt, kan God niet binnenkomen. Wees je eigen licht: deze aansporing klopt wel en niet, aldus de zenmeester Dogen. Bij het besluit om te gaan zitten in meditatie, begint jouw innerlijk licht te schijnen. Maar dan merkt je dat jij óók verlicht wordt door alles en iedereen om je heen. Jouw licht schijnt dan weer over alle dingen, die dit weer terugkaatsen. Schijnen en beschenen worden zijn één.

Zie zo, dat is heel wat lamp voor vandaag. Zouden er mensen zijn die zich volledig afsluiten voor het licht of dat nu van buiten komt of dat binnen in je zit? Het is moeilijk voorstelbaar. Als je je openstelt) … zal je gegeven worden. Maar als je je afsluit dan ontneem je jezelf de overvloed en de rijkdom. Er hoeft niet eens iets van je afgepakt te worden want je hebt niets. Zo versta ik nu de woorden van Lucas: minder economisch dus, meer spiritueel …

maandag 13 september 2021

“Maar zeg een enkel woord, dan zal mijn jongen beter worden.” Het is wonderlijk hoeveel kracht de heidense centurio toekent aan het woord van Jezus: wat voor geloof steekt daar niet achter? Een geloof dat Jezus in heel Israël niet zal vinden. Een volk dat toch bij uitstek gelooft in de kracht van woorden. Dat blijkt al uit het eerste bijbelboek, de woorden die God spreekt om de chaos te ordenen tot een ordentelijke schepping. Licht! En er was licht. Verderop in de bijbel treffen we Mozes aan op de berg Sinaï waar God hem tien woorden geeft om de menselijk chaos te ordenen tot leefbare verhoudingen. Merk op dat hier al wat meer woorden voor nodig zijn. Op diverse plaatsen in de profeten wordt de overtuiging verwoord dat Gods woord vruchtbaar is: het keert niet ledig tot hem terug nadat Hij het heeft uitgesproken, het woord doet zijn werk.

“Spreek slechts een enkel woord, dan zal mijn jongen beter worden.” Ik zeg dat het wonderlijk is hoe de honderdman denkt, maar hij legt het uit. Hij heeft mensen onder zich die naar zijn bevelen luisteren; als legercommandant heeft hij niet veel woorden nodig om mensen in beweging te zetten. Doe dit en ze doen het. Hoeveel te meer moet dat niet zijn bij God en bij de man die namens God optreedt? Een hondenbezitter weet ook hoe het werkt. Zit, af, koest: een enkel bevel en een goed afgerichte hond zal gehoorzamen. Maar zo willen wij mensen niet met elkaar omgaan, dat vinden wij mensonwaardig. Wij overleggen, voeren een gesprek met elkaar, tasten af waar gevoeligheden liggen. Wij hebben veel woorden nodig.

In de eucharistie zijn de woorden van de heidense honderdman opgenomen, in een verspiritualiseerde vorm: Heer ik ben niet waardig dat Gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts één woord en mijn ziel zal gezond worden. Ja, mijn ziel wel, maar als je lichamelijk iets mankeert ga je naar de dokter, je gelooft eenvoudigweg niet dat je van een kwaadaardige tumor in je hoofd genezen kan worden door een woord van God, “Jezus redt, enkel door het gebed”, zong Robert Long pesterig.

Dat gelooft zelfs de bisschop van Roermond niet, Harrie Smeets, die nog maar een paar jaar geleden is aangetreden. In een prachtig interview in Trouw van 4 september (gelijktijdig met De Limburger) spreekt hij over die tumor, en zegt: “Ik zal hieraan sterven; van de natuur win je het niet.” Hij zegt ook: “Ik heb me niet afgevraagd waarom ik? Ik ben toch niet beter dan een ander?” Ook zegt hij: “Ik weet ook niet waarom de dingen zijn zoals ze zijn, maar het vertrouwen in Hem is er.” Hij heeft vertrouwen, maar hij bidt niet: spreek slechts één woord en mijn tumor zal verdwenen zijn. Het zijn eerlijke woorden van deze bisschop die zich daarmee een herder toont die niet veel verschilt van zijn schapen. Hij vertelt dat ie nog naar Lourdes gaat. Citaat: “Niet met het idee dat er een wonder bij mij zal gebeuren. Op een wonder mag je hopen, maar zeker niet rekenen. Ik heb eens bij de grot van Lourdes een vrouw ontmoet. Die zat daar gewoon. Ze zei: ‘ik bid thuis heel veel. Elke dag wel de rozenkrans. Maar als ik in Lourdes ben, bid ik niet. Dan zit ik bij de grot en zeg tegen Maria: ‘Hier ben ik, hier ben ik thuis’. Ook ik hoop dat ik in Lourdes thuiskom bij Maria. Dan is het goed voor mij.”

Tegen het einde van het interview vraagt Stijn Fens, want hij is het die mede het interview afneemt: Heeft u een idee hoe de hemel eruit ziet? Antwoord: “Daar heb ik over nagedacht. Jezus is hier zelf duidelijk over geweest, dat niemand zich kan voorstellen hoe het zal zijn. Of zoals Paulus schrijft: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft.’ Het zijn niet zomaar woorden. Het is ook niet voor te stellen. Daar zijn onze zintuigen te beperkt voor.”

Als allerlaatste vraag: Gaat u uw dierbaren terugzien? Daarop antwoordt bisschop Smeets: “Het zou zo maar kunnen. Ik zou niet weten waarom niet. Augustinus heeft ooit tegen zijn moeder gezegd: ‘Als ik jou daar niet terugzie, hoef ik er ook niet te zijn.’ Dat vind ik een prachtige uitspraak.”

Ja dat is een prachtige uitspraak, want een liefdesverklaring, maar ook een absurdistische uitspraak. Het is de hemel afhankelijk maken van je moederbinding. Het zegt meer over de relatie die Augustinus met zijn moeder had, dan dat het iets zegt over de hemel.

maandag 6 september 2021

De meeste aandacht gaat uit naar het feit dat Jezus op sabbat geneest: een man met een verschrompelde rechterhand. Elders een vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt, en nog een derde genezing van een man die aan waterzucht lijdt … alles op de dag dat je niet mag werken. Aan de genezing van de verschrompelde rechterhand besteedt Lucas, die volgens de traditie toch arts was, weinig aandacht. De man krijgt de opdracht zijn hand uit te strekken. Hij doet het en zijn hand herstelt zich. Marcus vertelt het precies zo. Matteüs idem dito, maar hij voegt er nog aan toe dat de hand even gezond wordt als de linker. Met twee gezonde handen wordt het werk aangepakt. Dat de sabbat zo uitdrukkelijk vermeld wordt, moet wel betekenen dat het werk geen gewoon werk is: namelijk het nabij brengen van het rijk Gods.

Wie als geen ander deel heeft genomen aan dat ongewone werk is de apostel Paulus. In zijn brief aan de Kolossenzen geeft hij een soort taakomschrijving. Hij is dienaar geworden krachtens de taak die God hem heeft gegeven. Die taak houdt in iedereen bekend te maken met de rijkdom van God en de hoop op de heerlijkheid die Christus is. En waar is die rijkdom te vinden, waar zit die hoop? Welnu, je moet het niet al te ver gaan zoeken, want het zit in je zelf, het is in u. Daarvoor, om dat inzicht over te brengen, span ik mij in, zegt Paulus, daarvoor zwoeg ik, dat is het werk dat hij met beide handen heeft aangepakt. Het is zwaar werk, Paulus laat dat in al zijn brieven merken. “U moet weten welke zware strijd ik te voeren heb, voor u en voor velen die mij nooit in levende lijve hebben gezien.” Al zijn moeite is er op gericht dat zij goede moed houden en innig in liefde verbonden blijven.

God weet dat de mensheid goede moed nodig heeft Ik lees tegenwoordig te vaak dat die moed eigenlijk al verloren is gegaan en dat zo veel mensen er niet meer in geloven. De uitingen of de symptomen van wanhoop zijn legio. Ook is het zeer nodig dat de mensheid in liefde verbonden blijft, op alle niveau’s waarbij van innigheid misschien alleen sprake kan zijn op het microniveau. Maar moet je daar een kerk voor optuigen? Paus, kardinalen, curie, bisschoppen, priesters, de hele santekraam? Moet je daarvoor parochies overeind houden, eucharistievieringen houden, de liturgische kalender aanhouden, de heiligendagen vieren, vrijwilligers werven, koren laten zingen, processies houden, op bedevaart gaan? Ik vraag me dat af omdat ik binnenkort in de gelegenheid word gesteld kennis te maken met het nieuw pastoresteam van de Parochie De Goede Herder, een van de twee parochies die nog bestaan in het dekenaat Tilburg-Goirle. Het is een groep van drie relatief jonge priesters, mannen uiteraard, die fris ogen, enthousiasme uitstralen en die ontzettend veel zin hebben om met beide handen hun werk aan te pakken. Ze komen terecht in een kerk die nagenoeg uitsluitend bestaat uit oude tot zeer oude mensen, ze gaan voor in kerken waar op zondag nog slechts een handjevol mensen naar toe komt. In feite heeft de Nederlandse bevolking, maar evengoed de West-Europese, mijn vraag al met “nee” beantwoord: nee, we hebben geen kerk nodig. Misschien vergissen zij (of als ik inclusief spreek) misschien vergissen wij ons daarin en hebben we de kerk wel degelijk nodig om de moed erin te houden?

Wij houden de kerk vast in onze verschrompelde handen, de kerk als een kwetsbare aarden kruik. In die kruik zit een rijke traditie, het prachtige gregoriaans, de hemelse muziek van Bach, de schitterende kathedralen, de buitenaards mooie schilderingen, de psalmen, de geur van wierook, het licht door de gebrandschilderde ramen, de evangelies, de Mariabeelden, de werken van barmhartigheid … het zit er allemaal in en hoe zouden we daar ooit afscheid van kunnen nemen, hoe zouden we die breekbare kruik ooit uit onze handen kunnen laten vallen?

maandag 30 augustus 2021

Wat we uit Tessalonicenzen kunnen meenemen is dat je op twee manier bedroefd kunt zijn. Je kunt bedroefd zijn als een mens die geen hoop heeft, en je kunt bedroefd zijn als een mens die wel hoop heeft. De laatste is de christelijke hoop waar Paulus het over heeft. Deze hoop is gebaseerd op het geloof in Jezus die gestorven is én opgestaan. Opgestaan is natuurlijk de crux van ons geloof. Wat Paulus verder zegt over wie eerst en wie daarna, de wolken en trompetten, kan me gestolen worden. Maar hoop gebaseerd op geloof wil ik wel overhouden.

Het verhaal uit Lucas laat zien hoe hachelijk het geloof is. Jezus komt na enkele omzwervingen aan in Nazaret waar hij is opgegroeid, waar ze hem kennen, waar ze eigenlijk niets bijzonders van hem verwachten. Maar hij leest in de synagoge die hoopvolle woorden die ooit uitgesproken en neergeschreven zijn door Jesaja: een goede boodschap aan armen, vrijlating voor gevangenen, licht in de ogen voor blinden. Hoopvolle woorden, die NU in vervulling gaan. Daar gaan die goede Nazareners even voor op het puntje van hun stoel. Nu, nu gebeurt het, we wachten al zo lang. En het is niet onlogisch dat ze tegen Jezus zeggen: laat maar zien dan, we hebben dingen gehoord uit Kafarnaüm. Waarom bederft Jezus het? Hij doet niet aan onmiddellijke behoeftebevrediging. Hij zoekt naar spirituele spankracht door eerst het bekende spreekwoord in herinnering te brengen: een profeet wordt in eigen vaderstad niet geëerd. En weten jullie nog van Elia en Elisa? Toch hele grote profeten, en ze kregen niks klaar in eigen land, maar wel in den vreemde. Oei, oei, hier is geen zoete Jezus aan het woord. Zijn dorpsgenoten worden zo kwaad dat ze hem wel in de afgrond willen duwen. Het is een voorbode wat er een jaar later zal gebeuren: hosanna vandaag, morgen kruisig hem. Geloof in Jezus is een hachelijke zaak.

Voor christenen zijn geloof in Jezus Christus en in God één ongedeelde werkelijkheid. Wij zijn geen Tessalonicenzen, geen Nazareners; wij zijn mensen anno 2021 die bijvoorbeeld Volzin lezen (nr 7/8 juli 2021) en het artikel over Benoît Standaert (1945). Wat is die ene ongedeelde werkelijkheid waarin hij leeft? Kunnen wij zijn spiritualiteit een beetje navoelen? Ik heb nog nooit gelezen dat iemand zijn spirituele ontwikkeling laat beginnen op tweejarige leeftijd op de pispot, maar Benoît Standaert doet het. Citaat: “Mijn allereerste herinnering, ik ben een kindje van twee jaar dat op zijn pispotje zit. Ik roep, maar er is niemand thuis. Angst voel ik niet. Ik voel me ook niet door mijn ouders verlaten. Ik weet alleen: ik ben er.” Een volgende fase in zijn spirituele ontwikkeling beschrijft hij als hij 16 jaar is. Hij lijdt dan aan het Guillain-Barre Syndroom, een virale aandoening van de motorische zenuwen. Citaat: “Drie maanden lag ik in het ziekenhuis, aanvankelijk zonder te kunnen lezen en schrijven. Ik kon zelfs niet spreken. Het was een diepe loutering en een fysieke en geestelijke totaalervaring, niet van verlatenheid maar van het ontdekken van Jezus tegenover mij, als een persoonlijk krachtveld dat mij aantrok en mij stralend binnentrok.” Verder schrijft hij over zijn leven als monnik en zijn diverse periodes als kluizenaar die hij als hoogtepunten in zijn leven heeft ervaren. Alleen voor God, naakt voor God, de oerarmoede van het bestaan waarvoor we ons meestal afsluiten in een samenleving die uit is op onmiddellijke behoeftebevrediging. Benoît Standaert raadt het ieder mens aan om je regelmatig terug te trekken, af te zonderen, alleen te zijn zonder enige afleiding, wandelen in de natuur. Dan en daar leer je dat basale vertrouwen dat er een welwillende bron is, een borrelend beekje dat aanhoudend Gods zelfmededeling viert. Daar leer je dat je niet bang hoeft te zijn, dat je mag hopen op een God die liefde is, dat je kunt geloven in Jezus Christus die tot ons komt …

maandag 23 augustus 2021

“Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie versperren de mensen de toegang tot het koninkrijk van de hemel.” Elders zegt Jezus dat de toegang nauw is, zo nauw als het oog van een naald, maar hier lijkt hij lage drempels te eisen. Ik heb de afgelopen weken enkele voorbeelden gezien van lage drempels die me deden denken: ja, zo kan het ook.

Op de Nederlandse waddeneilanden is er bijvoorbeeld vakantiepastoraat vanuit de bisdommen Essen en Münster. Ik las erover in Trouw van 27 juli 2021, maar uit eigen waarneming heb ik het een paar jaar geleden op Texel in werking gezien. Citaat: “Voor ons is het een verademing. Het bisdom Essen stuurt altijd onbevooroordeelde geestelijken. Ze houden zich in de vakantiekerk niet zo aan de kerkelijke regels. Zo kunnen we hier energie opdoen. Daarmee houden we het uit, eenmaal thuis. Is dat oecumenisch gehalte niet in strijd met de kerkelijke leer? Pastor Strozyk lacht. Tja, wij doen het hier gewoon zo. De bezoekers roemen steevast de open sfeer, het informele vakantiegevoel. Gaat dat allemaal mee terug naar huis? Pastor Strozyk aarzelt. Dit hoort bij de vakantiekerk. Maar iets van de lichtvoetigheid en dat iedereen meedoet, alle soorten christenen, dat zou ik graag meenemen. Een mis is een viering, dat feestelijke voel je hier. En, zegt hij, je hebt hier weinig gewoonte-kerkgang. Met een grijns: Thuis denk ik weleens dat ik net zo goed het weerbericht had kunnen voorlezen.”

Een ander voorbeeld haal ik uit Met Kap en Koord van augustus 2021, het blad van de Nederlandse kapucijnen. De groep is nu zo klein geworden dat ze bij de Duitse provincie is geveegd. De Duitse provinciale overste is op bezoek in Nederland en aan het woord in genoemd blad. Luister naar wat Christophorus Goedereis (wat een prachtige naam!) zegt over een realistische kijk op wat een kapucijnenleven is. “Christophorus beleeft dat nu als een grote rijkdom. Op alle gebied is hij bezig geweest met het verwijderen van het web van mythes rondom sacramenten, armoede, broederschap en priesterschap. Langzaamaan ontdekte hij dat niet de pij of het klooster van iemand een goede kapucijn maken, maar de franciscaanse grondwaarden. Deze hebben onmiddellijk te maken met ons leven in de wereld buiten het klooster of de kerk. Hij leeft nu minder vanuit de kerk en meer vanuit de franciscaanse wereld: We trekken uit de sacristie naar de wereld, vanuit het klooster de wereld in.”

Een derde voorbeeld zie ik bij André Zegveld (Trouw zaterdag 7 augustus 2021) in gesprek met Stevo Akkerman. Ik heb het al gehad over hoe deze priester-in-ruste en voormalig benedictijner abt, over bidden spreekt; hij woont nu in een appartement bij het klooster van de Zusters van Denekamp. Wat hij over God zegt, of meer over onze omgang met God is interessant. Mensen van vandaag geloven niet in God, want God maakt niets klaar. Al de ellende en narigheid, de klimaatverandering, dat de aarde onleefbaar wordt voor onze kleinkinderen. Moeten we hopen dat God voor ons alles in orde zal maken? De mensen geloven dat niet. Er is een soort drempel ontstaan naar het godsgeloof en ik zie Zegveld die drempel weghalen. Hoe doet hij dat? Ik geef weer een paar citaten. “Leven is je openstellen voor het leven – wat heeft het leven mij te zeggen? Daar moet je stil voor zijn, dat vergt durf. God is geen sinterklaas die mij allemaal leuke dingen geeft. Daar zit een heilloze vergissing achter: het moet mij goed gaan, het leven mag niet mislukken. Maar waarom moet dat? Wie zegt dat? Levens kunnen mislukken, huwelijken kunnen mislukken, roepingen kunnen mislukken, de meest verschrikkelijke dingen kunnen je overkomen en als dat gebeurt, dan gebeurt er niks onrechtvaardigs. Zo is het leven. Je hebt nergens recht op. Anders ben je het hongerige kind dat denkt het middelpunt van de wereld te zijn en vraagt: en ík dan? Dat noemen we dan bidden: en ík dan? Maar bidden is je openstellen voor het leven in al zijn hachelijkheid. Je afvragen of je daarmee overweg kunt, of je dat kunt aanvaarden, wat het je doet. Wie of wat is God? Dat is het akelige, niemand heeft ooit God gezien, zo staat het in het Johannesevangelie. Ik vraag liever: hoe functioneert het woord God? Met het woord God geven we aan wat er in ons leven onvoorwaardelijk, uiteindelijk en onherroepelijk toe doet. Dat, en ik volg hier Thomas van Aquino, noemen wij God. Wij hebben God niet nodig. Als je dat zegt, ga je instrumenteel met God om. Je mag met mensen niet instrumenteel omgaan, dus zeker niet met God. Dat is ‘Lieve Heertje geef mooi weertje.” Maar bidden is leven met God. En leven is niet nadenken over het leven, niet theoretiseren, nee, leven is lekker eten, een vriendin hebben, kinderen hebben, houden van verse haring, dát is leven. Maar ook verdriet hebben, ziek-zijn, doodgaan., dat hoort er ook bij. Leren leven met de wetenschap dat je maar een passant bent en niet het middelpunt van alles. Zo leven dat je zonder hebberigheid met het leven omgaat. De mensen worstelen met het leven. Met de manier waarop God het leven geschapen heeft. Ze zeggen eigenlijk: had hij dat beter niet kunnen doen? Maar ik zeg dat niet. Je treft het leven aan. Daarbij heb je religieuze raamvertellingen die zeggen dat het bedoeld was paradijselijk te zijn, maar dat de mensen dat niet hebben aangedurfd. Ze waren naakt en broos en sterfelijk, terwijl ze God hadden willen zijn. Maar God willen zijn maakt niet gelukkig – integendeel, daar is de ellende mee begonnen. Zegveld wijst op een uitspraak van Ignatius van Loyola die zegt: Je moet onverschillig naar het leven kijken. Dat betekent niet dat de dingen je niets kunnen schelen, maar dat het voor jouw levenshouding geen verschil mag maken wat zich aandient. Het is de oerinspiratie van alle religies: je bent een sterfelijk mens, een eindig mens, je bent niet groter dan je bent, je hebt nergens recht op. En de kunst is daar met een zuiver hart naar te kijken. Zuiver is dat je niet selecteert: dit accepteer ik wel, dat niet. Hoe meer dat lukt, het klinkt een beetje lullig, hoe gelukkiger je wordt. Omdat je dan al die mythologieën over jezelf, die het leven zo zwaar maken, durft los te laten.”

Durf los te laten, maak het niet zo zwaar: hierin herken ik wat Jezus zegt tegen de schriftgeleerden en Farizeeën als hij de toegang tot het rijk van God drempelloos wil maken …

maandag 16 augustus 2021

“Wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen”? Het antwoord van Jezus is in eerste instantie weinig spectaculair. Hij lijkt wel van de school: doe maar gewoon dan doe je gek genoeg. Gewoon doen wat je moet doen, de bekende geboden en verboden, dat is het wel zo’n beetje. Maar de vragensteller is niet tevreden, dat gewone doet hij al en misschien heeft hij ook zijn twijfels of dit leidt tot het eeuwige leven. Hij wil dat Jezus zijn antwoord aanscherpt, dat hij hem een werkelijke uitdaging biedt. Geen brons of zilver, maar goud.

O, o, o : weet goed wat je wenst. “Wil je onverdeeld goed zijn”, zegt Jezus tegen hem, “verkoop dan alles wat je bezit en geef het aan de armen.” Daar hebben we het. Onverdeeld goed zijn is jezelf met heel je hebben en houden beschikbaar stellen voor de ander, voor de wereld, voor de aarde, voor God. Is dit een menselijke mogelijkheid? Spiritueel misschien wel, als mindset, maar feitelijk, praktisch, politiek? Ieder mens speelt diverse rollen: je bent burger en dus moet je belasting betalen en eens in de zo veel jaren stemmen op iemand die je vertegenwoordigt in het parlement; je bent werknemer dus moet je op tijd op je werk komen en je werk naar behoren vervullen, je bent partner in een relatie dus je moet je je man of vrouw tevreden stellen, je hebt kinderen dus dat geeft verantwoordelijkheden, je bent consument dus ga je in op de prikkels van de markt, je bent mens dus sta je elke dag voor talloze keuzes en beslissingen: hoe vul je je leven in, wat doe ik in precies deze concrete omstandigheden? Kortom, een mens moet vele ballen tegelijk in de lucht houden, het is geven en nemen, schipperen en laveren … wat is onverdeeld goed? De vraag is een religieuze vraag: alles of niets, God of de Mammon.

Hoe zien wij op maandag dat ticket naar het eeuwige leven? Als we het in aardse termen denken, weten we dankzij het jongste IPCC-rapport dat we als mens blij mogen zijn als we het einde van deze eeuw halen. Volgens voormalig minister van onderwijs Jo Ritzen is het rond 2080 voorbij; hij denkt dat de aarde dan al onleefbaar is geworden. U en ik maken dat niet meer mee, maar Marleen nog wel en mijn kleinkinderen ook. Is er nog hoop voor hen? Ja, zeg het IPCC, als we vandaag beginnen met veranderen. Hallo Rutte, heb je er zin in, denk je dat er draagvlak is, moeten de middengroepen niet ontzien worden? Ik heb er een hard hoofd in: praktisch-politiek komen we er waarschijnlijk niet uit.

Religieus dan? Dan treft het dat we vandaag Matteüs 19, 16 – 22 en Rechters 2, 11 – 19 lezen. Volgens Jezus moeten we alles eerlijk met elkaar gaan delen. Onverdeeld goed zijn, hem volgen. Een zwakke echo daarvan beluisterde ik bij Henriëtte van Hedel en Susan Hommerson die met een twaalftal gelijkgezinden vorig jaar de stichting Sociale Christendemocratie hebben opgericht. Volgens hen is het CDA opgericht “om het een beetje leuk te maken voor alle mensen in Nederland.” Ik vrees dat we er daarmee niet komen: we zullen het een beetje leuk moeten maken voor alle mensen op aarde. En wat is het perspectief van Rechters? Dit: “Maar telkens als de nood het hoogst was, liet de HEER rechters optreden, die hen uit de greep van de plunderaars bevrijdden.” Toch maar hopen op de HEER dus …???

maandag 9 augustus 2021

Dan zal het met het koninkrijk der hemelen gaan als met tien meisjes die met hun lampen op weg gingen. Vijf waren dom, vijf verstandig. De dommen namen geen olie mee, de verstandigen wel. Ze dommelden allen in. Toen het erop aan kwam – daar komt de Bruidegom! – vroegen de dommen aan de verstandigen of zij wat olie wilden delen en dat deden ze. De verstandigen dachten: die dommen kunnen er ook niets aan doen dat ze dom zijn, wij moeten helpen. Bovendien hadden ze ook wel bewondering voor de domme meisjes-zonder-olie want die vertrouwden tenminste op de Voorzienigheid. Zo zal het gaan met het koninkrijk der hemelen.

U merkt dat ik de parabel herschreven heb. Herschreven in christelijke zin, want staat niet als ideaal van christelijk leven in het begin van Handelingen dat zij alles gemeenschappelijk hadden en onderling verdeelden naar ieders behoeften? Waarom vertelt Jezus deze akelige parabel? Hij geeft wel meer parabels waarvan de kriebels krijgt over het handelen van de Bruidegom, de Heer of de Koning. Nu hebben die parabels misschien de verdienste dat ze ons inwrijven dat God anders is, dat wil zeggen: dat we nooit moeten denken dat we weten hoe God is, laat staan dat we Hem/Haar voor ons karretje kunnen spannen. Maar ik denk ook wel eens dat Jezus met die dwarse parabels een beroep op ons doet om zelf na te denken en niet alles voor zoete koek te slikken. Dit geeft mij de euvele moed om de parabel te herschrijven.

Niet dat zo’n herschreven parabel de zaken voor ons zo gemakkelijk maakt. Alles gemeenschappelijk hebben en ieder naar behoefte is altijd geprobeerd in kloosters, de kiemcellen van christelijk leven. Maar kun je er ook maatschappelijk wat mee? Kan een christendemocratische partij er een praktisch-politiek programma aan ontlenen.? Willem Aantjes destijds probeerde de Bergrede tot grondslag te maken van het CDA. Na hem zijn er tot op de dag van vandaag mooie visie- en grondslagendocumenten geschreven, maar het bleef papier en in feite werd het CDA steeds meer VVD, waar de verstandigen goed voor zich zelf zorgen. “Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid”, zo wilde de Postbus-51 campagne van de Rijksoverheid (1989-1992). We hebben een maatschappij waarin de slimmen er het beste uitspringen, het overgrote deel van de koek voor zichzelf opeisen. Als een kind van welgestelde ouders achterop dreigt te raken is er huiswerkbegeleiding, het reguliere onderwijs raakt steeds meer in de versukkeling. Alles werkt trouwens in het voordeel van degenen die hebben. Een steeds grotere groep blijft achter. De Heer van de akelige parabel zegt tegen de dommen en have-nots: ik verzeker jullie, ik ken u niet.

In Trouw van 29 juli 2021 viel mijn oog op de kop “Luis in de pels wil het CDA radicaal veranderen.” Twee jonge vrouwen, Henriëtte van Hedel en Susan Hommerson met een twaalftal gelijkgezinden hebben vorig jaar een stichting Sociale Christendemocratie opgericht, gedreven door grote zorgen om de (electorale) leegloop van het CDA, de partij die geen eigen gezicht meer heeft, vis noch vlees. Volgens hen is het CDA opgericht “om het een beetje leuk te maken voor alle mensen in Nederland.” Een beetje leuk voor alle mensen, tja waarom niet: het is geen hoogdravende formulering, geen hooggestemde doelstelling, maar je ziet de sociale richting. Van Hedel zegt: “Niet alleen maar voor de happy few. Daar hebben we VVD en D66 voor. Maar die bestaansreden lijkt uit het oog verloren. Het CDA moet weer een echte brede volkspartij worden.” Wat zij missen is een goede analyse over de vastgelopen overheid, het onderwijs, de zorg, duurzaamheid, Europa en veiligheid. Ze hebben ontdekt dat ze in veel zaken hetzelfde denken als Pieter Omtzigt, maar ze willen hun invloed – als ze die al krijgen – binnen het CDA aanwenden.

Ik hoop dat ze gehoord worden, ik hoop dat een christendemocratische partij iets waarmaakt van de naam die ze draagt. Wellicht dat de verzen uit de profeet Hosea onthullen onder welke voorwaarden de gemoederen ontvankelijk worden. “Daarom lok ik haar binnenkort weer naar Mij toe, zorg Ik dat zij naar de woestijn gaat en spreek Ik tot haar hart. Daar zal zij weer antwoorden, zoals in de dagen van haar jeugd.” De woestijn! Is onze aarde niet steeds meer een woestijn aan het worden? Waar wachten we nog op, dommen en verstandigen, of zijn we allemaal in slaap gevallen?

maandag 2 augustus 2021

De twee lezingen gaan duidelijk over het voedsel dat een mens nodig heeft om te leven. In Numeri is het manna dat in de woestijn uit de hemel neerdaalt, in Matteüs zijn het vijf broden en twee vissen die wonderbaarlijk over vijfduizend mensen verdeeld worden. In beide gevallen is er een noodsituatie, het voedsel is niet zo maar vanzelfsprekend voorhanden. Wij kunnen ons dat haast niet voorstellen, voedsel is voor ons zo gemakkelijk bereikbaar, je kunt van 7.00 uur in de ochtend tot 22.00 uur in de avond bij AH terecht, alle dagen van de week.

Ik wil de aandacht vestigen op iets dat in beide lezingen ook aan de orde is, min of meer terloops, namelijk bidden. Voordat Jezus de broden neemt en ze breekt om ze te verdelen kijkt hij op naar de hemel en spreekt de zegenbede uit. Zoals Matteüs het formuleert lijkt het alsof dit de gewoonste zaak van de wereld is. De ogen opslaan naar de hemel als een erkenning waar het uiteindelijk of in principe allemaal vandaan komt en de uitdrukking van die erkenning in een paar binnensmonds gemummelde woorden van dank. Veel mensen weten niet hoe ze moeten bidden, waarschijnlijk omdat ze niet meer weten waarom ze zouden bidden, zeg nu zelf: geef ons heden ons dagelijks brood ... als AH altijd open is!? Op mijn vakantie kwam ik in een kerk waar een ijverige collega op die verlegenheid van mensen die even de kerk binnenlopen inspeelt: op een gratis meeneemblad, een dubbelgevouwen A3, had zij een keur aan gebeden bijeengebracht voor elke situatie des levens, zodat iedereen wel iets kon vinden dat op zijn of haar situatie van toepassing was. Mooie gebeden, goed werk, prima pastoraat. Thuis viel mijn oog op een column van Stevo Akkerman in Trouw van 9 juli met als titel bidden. Stevo weet ook niet wat hij met bidden aan moet, maar hij herinnerde zich een omschrijving van André Zegveld, voormalig abt van het benedictijner klooster in Egmond, die ooit had gezegd: bidden is aandachtig leven. Nu er gebeden werd voor Peter R. de Vries, bloemen gelegd en kaarsjes aangestoken, wilde hij daar meer van weten en zocht hij de genoemde André Zegveld op. Hij vroeg hem of hij kon verklaren waarom mensen niet meer bidden, maar nog wel een kaarsje opsteken. Mensen die het geloof in God hebben verloren, zullen zeggen dat ze niet meer bidden, maar op momenten dat er hard wordt gebonsd op de deuren van hun bestaan, grijpen ze wel naar een ritueel uit de religieuze voorraadkast. Zegveld: “Wat ze niet hebben verloren, getuige het kaarsje branden, is het besef dat het leven een mysterie is, een mysterie van leven en dood, en van verbondenheid, in dit geval met Peter R. de Vries.” Voor Zegveld is bidden: stilstaan bij alles, licht en donker, vanuit “levenshonger”. Een voorbeeld van dergelijk bidden: “Met een diep verlangen ernaar verlangen dat er een einde mag komen aan het geweld en de wreedheid in de wereld, verlangen naar vrolijkheid, licht, tederheid en leven voor mensen in de knel.”

Als je bidden zo kunt opvatten is elke mens wellicht een biddende mens. Vroeger leerde je in de catechismus heel eenvoudig deze vraag met antwoord: Wat is bidden? Bidden is spreken met God. Klaar, heel simpel, misschien net ietsje te simpel voor de moderne mens. In Numeri zien we Mozes nog spreken met God als hij zich tegenover God beklaagt over zijn volk dat alleen maar kan zeuren, klagen en kankeren. Hij bidt/spreekt aldus: “Ik kan de last van heel dat volk niet alleen dragen. Het is te zwaar. Indien U zo met mij blijft doen, dood mij dan maar, als U mij genadig wilt zijn. Dan hoef ik mijn ellende niet langer te zien.” Ik vind dat een heftig gebed; ik heb het niet aangetroffen op het vouwblad van mijn buitenlandse collega. Mozes laat zien dat je tegen God werkelijk alles kunt zeggen. Dus: wat let ons …

maandag 26 juli 2021

Ik weet niet of het iets met de vakantie te maken heeft, maar sinds 12 juli geeft de kerk lezingen uit het boek Exodus, Uittocht, behalve op zondag én als er een heilige is als Maria Magdalena (22 juli) of Birgitta (23 juli). Maar de ouders van de heilige Maagd Maria, Joachim en Anna, zijn gewoon in de reeks Exoduslezingen opgenomen. Is het evangelie uit Matteüs dan toegespitst op Joachim en Anna? Ook niet, want ook hier wordt de Matteüsreeks aangehouden. Het is alsof de liturgisten niet veel aan kunnen met de ouders van Maria. Ze zijn ongemarkeerd, onopvallend, volgens mij is er helemaal niets van hen bekend, maar als je de ouders bent van Maria, de moeder van Jezus, de bruid van de heilige Geest, dan kan het haast niet anders of je moet wel heilig zijn. De redenering is: aan de vrucht kent men de boom. Hoe komen Joachim en Anna op de kalender? Ze zijn zelfs niet opgenomen in de stamboom van Lucas die de lijn van Jozef volgt, noch in die van Matteüs die de lijn van David volgt. Als je iets niet weet kun je nog altijd bij Wikipedia terecht.

Daar vind ik dat Joachims naam en zijn geschiedenis voor het eerst voorkomt in een in het Grieks geschreven boekje uit het midden van de tweede eeuw na Christus, dat later bekend is geworden als het Proto-evangelie van Jakobus. Joachim wordt daar voorgesteld als een godvrezende, welgestelde en vrijgevige man. Zijn huwelijk was kinderloos. Joachim wordt vanwege zijn kinderloosheid uit de tempel verwijderd en vlucht voor die schande met zijn kudde naar de bergen. Daar krijgt hij van een engel te horen dat zijn vrouw Anna zwanger is. Joachim keert naar huis terug en ontmoet zijn vrouw bij de Gouden Poort in Jeruzalem. Anna geeft het leven aan een meisje en noemt haar Maria.

Vrome fantasie natuurlijk, we herkennen het format; zo zijn heel wat verhalen uit de geïnspireerde duim gezogen. Schrijvers van (de) heilige boeken zijn niet geïnteresseerd in het werkelijke verhaal, en ze wagen zich niet aan een geloofwaardige reconstructie. Hoe zou die eruit kunnen zien? Lucas en Matteüs, die zeer spaarzaam zijn met hun mededelingen over Jezus’ kinderjaren (Marcus en Johannes hebben helemaal niets) hadden dan moeten schrijven over de opa en oma van Jezus aan moederskant. Hoe gelukkig ze waren nog hun kleinzoon te mogen aanschouwen; dat ze het fijn vonden om af en toe op te passen als hun dochter bijvoorbeeld weer eens op bezoek was bij nicht Elisabeth, dat zij hem dan verwenden of uit de kinderbijbel voorlazen? Ach, laat ook maar. Ik heb het nu over mijn eigen ervaringen als opa en oma, maar zelf heb ik de ouders van mijn vader niet gekend, en die van mijn moeder maar heel vaag. Mensen van toen werden niet zo oud als mensen van nu; soms stierven ze al jong. Ik heb ze alleen gekend van de foto: eerbiedwaardige portretten mooi ingelijst achter glas in de huiskamer van mijn ouders, met een bloempje in een vaasje. Bij de lange lijst gebedsintenties aan het einde van het rozenhoedje werd ook steevast gebeden “voor opa en oma” en “voor oom Wiel” die in de oorlog omgekomen was. Maar ook zonder herinneringen aan hun werkelijke handel en wandel, aan hun persoonlijkheid, kun je toch af en toe met genegenheid en dankbaarheid aan hen denken, aan het ongetwijfeld veel hardere leven dat zij hebben geleefd en dat zij hebben doorgegeven. Onze opa’s en oma’s waren Joachims en Anna’s die elkaar bij een Gouden Poort ontmoetten en die door een Gouden Poort uit ons leven verdwenen zijn. Ze zijn naar het evangelie van Matteüs als zuurdesem in het meel verwerkt en hebben bijgedragen aan het koninkrijk van God, ze zijn naar het woord van Exodus niet uit het Boek geschrapt van Hem die is …

maandag 5 juli 2021

Volgens Stijn Fens in Trouw van 26 juni moet geloof een beetje schuren wil het geloofwaardig zijn. Hij heeft een gesprek gezien van Andries Knevel met Jan van den Bosch, de man achter Hour of Power op RTL 5 die zo’n rotsvast geloof heeft dat Stijn er van over zijn nek gaat. Nee, geef hem dan de dichter Ingmar Heytze maar die vertwijfeld zoekt naar het antwoord op de vraag waarom sommige mensen geloven en andere niet, met de beste wil van de wereld niet.

Geloof moet schuren. De twee lezingen van vandaag schuren ook. In Genesis formuleert Jakob een soort voorwaardelijk geloof, in Matteüs zien we voorbeelden van onvoorwaardelijk geloof. Genesis geeft ons het prachtige verhaal van Jakob die droomt van die ladder die op de aarde staat en de top die tot in de hemel reikt. Langs die ladder stijgen Gods engelen op en dalen zij neer. En ineens staat de HEER bij hem die hem de prachtigste dingen belooft. Het mooiste is wel dat alle geslachten van de aarde zich gezegend mogen beschouwen vanwege hem, Jakob. Vervolgens wordt Jakob wakker. Hij heeft weliswaar zijn hoofd op een steen gelegd, maar kennelijk goed geslapen en fijn gedroomd. Die steen promoveert hij meteen tot wijsteen, een heilige steen, een huis van God. Maar luister wat hij zegt: “Als God met mij is en mij beschermt op de reis die ik nu onderneem, als Hij mij voedsel geeft om te eten en kleding om mij te bedekken, en als ik ongedeerd naar mijn ouderlijk huis terugkeer, dan zal de HEER mijn God zijn.” Dat noem ik voorwaardelijk geloof. Zo zouden we allemaal wel kunnen geloven, geloof als een goede deal. Maar zo is het natuurlijk niet.

In de tweede lezing zie ik onvoorwaardelijk geloof. Een aanzienlijk man knielt voor Jezus neer en zegt: “Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom haar toch de hand opleggen, dan zal ze leven.” Hoe komt die man tot zo’n verzoek? Hoe komt hij op het geloof dat zijn gestorven dochter weer zal leven? Op of onder welke steen heeft hij gelegen? Dat is de vertwijfelde vraag van Ingmar Heytze en de moderne mens. Matteüs vertelt ons niets van de omstandigheden van die man, of hij gek geworden is van verdriet, of hij in een delier verkeert o.i.d. Maar Jezus staat op en gaat met de man mee naar zijn huis, samen met de leerlingen die dit kennelijk ook geen vreemd verzoek vinden en er van uit gaan dat Jezus dat kan. Onderweg komt een vrouw naar hem toe die ook onvoorwaardelijk gelooft. Ze lijdt al twaalf jaar aan vloeiingen, en ze denkt bij zichzelf (hoe weet Matteüs dat, enfin laat maar zitten): “Al zou ik zijn kleed maar aanraken, dan ben ik gered.” En dit geloof blijkt te werken, ze geneest. “Uw geloof heeft u gered.” Maar we hebben nog die dochter die gestorven is. Als Jezus aankomt is het een heidense bende, een drukte van jewelste, een kabaal van fluitspelers. Geen wonder dat de mensen hem uitlachen als Jezus beweert dat het meisje slaapt. Dat moet wel een heel diepe slaap zijn als je door die herrie heen slaapt. Misschien te vergelijken met die slaap van Jakob. Maar de aanzienlijk man moet er nog steeds vertrouwen in hebben want hij accepteert dat zijn rouwende vrienden weggestuurd worden en dat Jezus naar binnen kan gaan en bij het meisje kan komen. “Hij pakte het meisje bij de hand en ze stond op.”

Hoe geloven wij? Onvoorwaardelijk of stiekem toch voorwaardelijk? Ik denk dat het moeilijk te zeggen is, voor ons die het geloof met de moedermelk en/of met de paplepel binnen hebben gekregen. Het geloof en wij zijn in een symbiotische relatie versmolten geraakt. We geloven niet alles, maar we geloven wel heel veel. Misschien geloven we door de dag heen vrij weinig, maar als we het credo zingen geloven we weer alles. Ons geloven is vooral een hopen dat het woord van de HEER in die droom van Jakob werkelijkheid zal worden: dat alle volkeren der aarde gezegend zullen zijn. Het ziet er nog niet naar uit en daarom is geloven zo moeilijk. We moeten geloven tegen de klippen op, over de dood heen: dat is het wat Matteüs ons probeert duidelijk te maken in zijn verhaal van de opwekking van het meisje. Ten slotte een uitspraak van Ingmar Heytze, met instemming geciteerd door Stijn Fens die zich goed voelt bij een schurend geloof: “Ik hou van de man die zei dat als je kijkt naar de natuur en je even verbonden voelt met alles wat leeft, je eigenlijk kijkt naar God die zich net heeft verstopt – maar verder kom ik niet.”

maandag 28 juni 2021

Bij de lezingen van vandaag moet ik denken aan het nieuwste boek van Toon Tellegen, God onder de mensen (Querido, 2021, 136 blz.). Ik heb alleen de juichende recensie in NRC Boeken gezien met enkele pakkende citaten. De trailer zegt het volgende:

“God bestaat steeds opnieuw in Toon Tellegens gedachten. Soms is hij een kluizenaar, dan weer wordt hij wegens wangedrag aangehouden of is hij een buitengewoon goede balletdanser. Ook in de zomer draagt hij een dikke winterjas en regelmatig twijfelt hij eraan of de mensen van hem houden. Gelooft hij wel in zichzelf ? Hij zit een keer in iemands hoofd, hij wordt betrapt op overspel, hij bedenkt een nieuwe, betere God, hij is af en toe onredelijk en kwaadaardig. Maar ook liefdevol en onzeker. Hij lijkt verdacht veel op een mens, maar is toch steeds God. Toon Tellegen speelt op weergaloze wijze met onze ideeën, gevoelens en verlangens over het bestaan van God in de wereld: briljant, diepzinnig en ongelooflijk geestig.”

In het fragment uit Genesis lijkt God ook verdacht veel op een mens. Hij is boos, hij is het zat, hij gaat er een eind aan maken: Sodom en Gomorra, weg ermee. Heel menselijk is ook dat er met hem te onderhandelen valt, en Abraham blijkt een uitstekend onderhandelaar te zijn. De wereld van vandaag lijkt nog steeds op Sodom en Gomorra. God lijkt zich daar momenteel – als we met Tellegen meegaan – niet veel meer van aan te trekken. Hij denkt: het zal mijn tijd wel duren, bovendien de mensen zijn hard op weg er zelf een einde aan te maken, daar hebben ze mij niet meer voor nodig.

Ook het evangelie van Matteüs lijkt op Tellegen, ik denk trouwens dat hij zijn inspiratie grotendeels uit de evangelies heeft. Jezus ligt te slapen, terwijl de golven over de boot heen slaan. “Heer, red ons, wij vergaan!” Tellegen heeft een verhaal waarin God bij een man op bezoek komt nadat hij vanwege overlast uit zijn eigen huis is gezet. God dus, uit zijn huis gezet omdat hij overlast veroorzaakte, heel geestig. De man wil God van alles vragen, maar eenmaal binnen valt God meteen als een blok in slaap. Hij wordt pas wakker als de man zelf in slaap is gevallen en als de man weer wakker wordt slaapt God alweer. Zo gaat dat een week lang door. Gaandeweg begint de man te begrijpen wat die ‘overlast’ behelsde: ‘zijn voortdurende aanwezigheid, die een vorm van afwezigheid was, een soort ondraaglijke afstandelijkheid.’ De recensent denkt dat het hier gaat om de worsteling met religie: “Hoe te geloven in God? Preciezer: hoe valt het bestaan van God te verenigen met al het onrecht op de wereld? Die vraag lijkt ten grondslag te liggen aan vrijwel alle gedachte-experimenten in deze bundel. Wat voor eigenschappen heeft zo’n God? Hoe valt te verklaren dat een almachtige schepper passief toekijkt hoe er overal geleden wordt? Is hij zelf depressief soms, of eenzaam, gaat het niet goed met hem, komt het daardoor? Hebben wij mensen het verpest; heeft God zijn geloof in óns verloren”?

Ja, dit zijn vragen die de theologie zich altijd heeft gesteld en waarop nooit een afdoend antwoord is gekomen. De mens blijft met deze vraag rondzeulen, ze laat hem nooit met rust. Ook hier geeft ons evangeliefragment het perfecte beeld als Jezus zegt: “De vossen hebben een hol, en de vogels van de hemel een nest, maar de Mensenzoon kan nergens het hoofd neerleggen.”

Ik wil ten slotte stilstaan bij de heilige van vandaag: Ireneüs van Lyon (130 – 202), die doorgaat voor de eerste grote theoloog en kerkvader in de na-apostolische periode. Wat hij dacht over het samengaan van alle ellende en een barmhartige God weet ik niet. Wel dat hij in Jezus het antwoord vond op alle vragen die een mens maar kan stellen over God. Hij bedacht dat de vier diersymbolen uit het Oude Testament - de gevleugelde mens, de gevleugelde leeuw, het gevleugelde rund en de gevleugelde adelaar - op de vier evangelisten toegepast kunnen worden. Matteüs de gevleugelde mens, Markus de gevleugelde leeuw, Lukas het gevleugelde rund en Johannes de gevleugelde adelaar. Met de gevleugelde woorden van de vier evangelies moeten wij het doen, maar ook met Toon Tellegen als die zijn vleugels ombindt en ons omhoog voert naar de toppen van zijn literaire verbeelding ….

maandag 21 juni 2021
Genesis 12, 1 – 9 en Mattheüs 7, 1 – 5

Van Aloysius Gonzaga (1568 – 1591) is in de vrome beeldvorming (zie Google afbeeldingen) een zoete heilige, een soort suikerbeest gemaakt: toog en superplie, een witte lelietak in zijn armen, een stralenkrans om zijn hoofd, de ogen geloken: heilig, heilig, heilig. Hij zal wel niet meer van dat beeld afkomen, al hebben de jezuïeten wel geprobeerd hem een ander beeld te geven. Dan zien we een jonge man (hij werd maar 23) zonder de genoemde attributen gekleed in een eenvoudig roodbruin overhemd. Hij heeft zijn ogen wel degelijk open en daarmee kijkt hij ons ernstig aan. Hij wordt niet als een lachebekje neergezet, zijn mond is eerder droef. Hij wordt omarmd door een oude man die zijn ogen naar hem opslaat: het is een intiem tafereel, kennelijk heeft de man groot vertrouwen in de jonge man. Wie is die oude man? Is het zijn vader, de hertog van Castiglione? Aloysius was zijn oudste zoon en erfgenaam, hij voedde hem op in pracht en praal en bereidde hem voor op een toekomst te midden van de machtigen van zijn tijd. Maar Aloysius ging, tot grote ergernis van zijn vader, een andere weg. Hij doorzag de façade van de macht, hij walgde van het lege leven dat hij om zich heen zag. Hij distantieerde zich van dat alles, werd kloosterling en trok zich het lot van pestlijders aan die hij verzorgde. De pest was de pandemie van die eeuw, mondkapjes en vaccins waren er niet. Aloysius – tegenwoordig zou hij niet een heilige genoemd worden maar een held - werd zelf besmet bij de verzorging van de zieken en het werd zijn ontijdige dood. Op de nieuwe ikoon zal hij wel omarmd worden door een naamloze pestlijder, maar ik zie er liever zijn vader in. Wat we dan zien is een omkering van de parabel van de verloren zoon. Hier is de vader verloren en ten langen leste ziet hij in dat zijn zoon het bij het rechte eind heeft. Voordat de zoon sterft komt de vader terug bij zijn zoon die hem barmhartig omarmt. Vaders bekeren zich zelden tot hun zoon, verstokt van hart volharden ze in de oude tredmolen.

Zo niet Abram uit Genesis 12. Als hij de oproep krijgt om weg te trekken uit Haram, uit het land van zijn stam en zijn ouderlijk huis, dan doet hij dat terwijl hij toch al 75 jaar oud is. Tegen alle logika en gezond verstand in trekt hij weg uit traditie en comfort. Hij gelooft de HEER die tegen hem zegt: ik zal je zegenen en jij zult een zegen zijn voor alle volkeren. In enkele verzen volgen we Abram op zijn weg naar Kanaän; her en der richt hij altaren op voor de HEER. Geen wonder dat Abram/Abraham de vader wordt van alle gelovigen, van joden, christenen en moslims.

Dit geloof krijgt gestalte in hartje Berlijn (Trouw dinsdag 8 juni 2021) waar de drie godsdiensten één gebedshuis gaan bouwen, the House of One. Op de foto zien we pastoor Gregor Hohberg, rabbijn Andreas Nachama en imam Kadir Sanci die de handen ineen hebben geslagen om samen het eerste multireligieuze gebedshuis ter wereld te realiseren. Eenheid in verscheidenheid, want er blijven drie verschillende gebedshuizen die uitkomen op een centraal leeg middenplein waar 300 mensen terecht kunnen voor gezamenlijke vieringen, tentoonstellingen, kunstmanifestaties, wetenschappelijke congressen. Een ruimte voor mensen van alle geloof of ongeloof. Het voordeel van deze opzet is lijkt me dat je niet schijnheilig hoeft te zijn om hier je hart op te halen. In Mattheüs 7 – het evangeliefragment van vandaag – waarschuwt Jezus tegen schijnheiligheid. Hij heeft het over de splinter en de balk: wel die splinter zien in het oog van de ander, maar niet de balk in je eigen oog. Het is een waarschuwing die het niveau van geloof en ongeloof overstijgt want het is een menselijke eigenaardigheid waar we allemaal wel aan lijden.

Drie godsdiensten in één gebedshuis. “Het voelde als een utopie, nu als een droom die uitkomt”
Trouw 8 juni 2021

maandag 14 juni 2021

Op 14 juni viert de kerk de gedachtenis aan Lidwina van Schiedam (1380 – 1433). Dat is zo sinds het Vaticanum II; voorheen werd zij op 14 april herdacht, haar sterfdag. Ik vermeld dit vanwege het programma Hier zijn de Van Rossems. Toen zij door Schiedam waggelden hadden ze het over de heilige Lidwina; ze vertelden haar verhaal, bezochten de kerk waar ze begraven ligt en keken naar het beeld met de stigmata. Maarten verwonderde zich erover dat ze nog vereerd werd, want – zo wist hij – er waren door Vaticanum II heel wat heiligen opgeruimd. Maar niet Lidwina, Neerlands bekendste heilige, patrones van de chronisch zieken.

Haar verhaal is spectaculair, ik hoef dat niet meer na te vertellen, ik beschouw het als bekend. Interessanter is om te zien dat we hier niet enkel een buitenissig geval hebben, iets voor het rariteitenkabinet, maar eerder een specimen van wat christelijk geloof in principe is. Beide lezingen werpen licht op het verschijnsel, maar ook het nieuwste nummer van Filosofie – Tijdschrift (mei/juni 2021) dat gewijd is mystiek. Lidwina was ongetwijfeld een mystica, een mystieke roos.

In 2Korintiërs zegt Paulus dat, sinds hij het licht heeft gezien, hij niemand meer beoordeelt naar menselijke maatstaven. Iemand die in Christus is, is een nieuwe schepping; het oude is voorbij, het nieuwe is er al. Welnu, Lidwina was “in Christus”. Dat ze na haar val op het ijs haar leven in bed doorbracht tot niets meer in staat, kon zij beleven als een leven in vereniging met Christus. Christus was haar alles.

In Johannes 12, 24 – 26 heeft Jezus het over de graankorrel die moet sterven om vrucht voort te brengen. Sterven om te leven. Voor een graankorrel zien we meteen dat dat waar is, maar het vraagt om een mystieke blik om je zelf als deze individuele mens en unieke persoonlijkheid ook te zien als graankorrel. Jezus roept op om je leven zo te zien; je mag er zelfs een advies in zien: geef je leven in deze wereld prijs en je zult het behouden voor het eeuwig leven.

Nu naar Filosofie – Tijdschrift (mei/juni 2021). Een basiskenmerk van mystiek is de ervaring van de eenheid van alle zijn. De ervaring dat je opgenomen bent in het grote kosmische verband. Je kunt je zelf beleven als een golfje in de oceaan van het zijnde, het zogeheten ‘oceanische gevoel’ of het kosmische bewustzijn. In alles, hoe klein ook, kan het universum tegenwoordig zijn en in ieder tijdsmoment de eeuwigheid. William Blake (1757-1827) verwoordde dat aldus:

“De wereld zien in een korrel zand,
de hemel in een wilde bloem;
de oneindigheid vasthouden in de palm van je hand
en eeuwigheid in een uur.”


Maar christenen hebben voor deze inzichten geen William Blake nodig. Jezus zegt graankorrel, en wie gelovig te communie gaat gelooft dat ie de eeuwigheid gelegd krijgt in de palm van zijn/haar hand, met een pincet tegenwoordig. Het probleem met ons is misschien dat we er té vertrouwd mee zijn geraakt, we zijn de mystieke blik kwijt als we hem ooit al hebben gehad. Onze religiositeit is te veel koek en ei. Ik ontleen deze gedachte aan voormalig Theoloog des Vaderlands Janneke Stegeman (1980) in Volzin van juni 2021 die zegt: “ons christendom is géén koek en ei, het is niet onschuldig.” Geloof is voor haar geloof als het zich steeds vernieuwt en dat ziet ze te weinig. Ze blijft vaag hoe zij die vernieuwing ziet. Anders dan publiekstheoloog Anne van der Meiden (1929-2021). In Memoriam in Trouw van vrijdag 4 juni schrijft Nico de Fijter dat Van der Meiden veranderde van een orthodox naar een vrijzinnig gelovige. Hij sloot zich aan bij de vrijzinnig Nederlandse Protestanten Bond, maar hij bleef ook lid van de Nederlands Hervormde kerk (die in de PKN) opging. In 2004 zei Anne: “Ik zou het leuk vinden om ook lid te worden van de rooms-katholieke kerk. Wat mij betreft moeten we véél meer lid worden van elkaars kerken. Het kán niet meer zonder de katholieken. Het kan niet meer zonder het vrijdenkende deel van het jodendom. En zonder, laten we zeggen, het liberale gedeelte van de islam.” Kijk, dat zou een vernieuwing zijn. Maar misschien denkt u eerder dat deze Twentse publiekstheoloog hiermee een scheve schaats reed en een uitglijder maakte. Dan zijn we weer terug bij de heilige van vandaag. Heilige Lidwina van Schiedam, ora pro nobis.

maandag 31 mei 2021

De lezingen van vandaag doen me denken aan het eurovisie songfestival daags voor Pinksteren op zaterdag 22 mei. Voor mij was de nummer 2 winnaar: de Franse Barbara Pravi met haar liedje Voilà, hier ben ik. Het is een hartstochtelijk oproep om van haar te houden; ze vraagt of “we” van haar willen houden zoals je van een vriend houdt die afscheid neemt. “Hou van mij zoals men houdt van een vriend die voorgoed vertrekt.” Ik wil graag aan deze oproep gehoor geven, en voor één keer is het nog het meest praktisch als je dit liedje religieus wilt verstaan. Jezus heeft afscheid genomen in de afscheidsrede van Johannes, hij heeft zijn Laatste Avondmaal gehouden met zijn vrienden, hij is gestorven, begraven wat toch als een definitief vertrek gezien mag worden. Hij is opgevaren ten hemel, voorgoed vertrokken; voor zijn vertrek vraagt hij tot driemaal toe aan Petrus of hij van hem houdt. Met Pinksteren heeft hij zijn geest geschonken zodat de evangelisten geïnspireerd gaan schrijven. Zo ook de liedjeszangers, de dichters, de componisten; altijd moeten zij het hebben van de inspiratie, van de taal der liefde.

Ik zal drie songteksten geven, de eerste uit Sefanja, de tweede uit Lucas en de derde uit het boekje van Maria Lichtmis tot Pinksteren, bidden in onzekere tijden. Sefanja zingt:

Jubel dochter van Sion!
Juich, Israël.
Verheug u en wees blij met heel uw hart,
Dochter van Jeruzalem!

Volgens de wetten van de song zou ik eindeloos herhalen: jubel, juich, verheug u. Jubel, juich, verheug u.

Lucas legt zijn lied in de mond van Maria als ze op bezoek is bij haar nicht Elisabeth, dat is het feest van vandaag, Maria Visitatie:

Mijn ziel prijst en looft de Heer,
Mijn hart juicht om God mijn redder
Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.

Hier hoor ik de tonen van het Franse liedje dat ook een jubel is omdat de zangeres gezien is of gezien wil worden: voilà, hier ben ik. Als er maar van je gehouden wordt. De religieuze mens gelooft, weet, voelt dat van hem/haar gehouden wordt … door God.

Ten slotte Angela Holleboom, abdis van de clarissen in Megen. Haar lied heeft als titel Hoog aan de hemel, maar ik geef het een andere titel: Nous voilà, hier zijn wij …

Hoog aan de hemel glanst uw licht,
uw zon geeft groeikracht aan de aarde
en aan het volk dat Gij vergaarde.
Gij leidt ons voor uw aangezicht.

Hier zijn wij, God, uw hand doet goed,
Gij kleit, en vormt ons uit de akker.
Gij blaast in ons het leven wakker,
Gij spreekt ons aan, uw woord is zoet.

Uw stem wekt doden uit het graf,
uw Geest slaat vuur uit zware stenen.
Ja, lachen zullen zij die wenen,
het dood gewicht wentelt Gij af.

Ons roepen stijgt op uit de grond.
Geschaad, getroffen door het lijden
en in het duister van de tijden
smeken wij U als uit één mond.

Hoed Gij uw schepping in uw hand,
aan U is nimmer iets ontvallen.
O God, ontferm U over allen,
breng bloei en vruchten in uw land.

U zegenen en danken wij,
U, Vader, Wie wij toebehoren,
U Zoon, in Wie wij zijn herboren.
U Geest, uw Adem schept ons vrij.

Bepleit ik een eurovisie songfestival met religieuze liederen? Nee, maar laten we oplettend zijn bij zogenaamde wereldse liederen: ze hebben nogal eens religieuze diepte …

maandag 10 mei 2021

De tweede lezing laat duidelijk merken dat we in de buurt zijn van Hemelvaart en Pinksteren, de eerste lezing is er over heen. De christenen weten zich gezonden en ze zijn onderweg. Luister nog eens hoe Lucas dat opschrijft, hij vindt die routebeschrijving belangrijk genoeg om te vermelden. “Zo voeren we weg uit Troas en koersten regelrecht naar Samotrake en de volgende dag naar Neapolis. Vandaar gingen we naar Filippi, een belangrijke stad in dat deel van Macedonië.” In Volzin van vorige maand staat een mooie foto van abt Denis Hendrickx in zijn witte habijt terwijl hij opkijkend in de verte tuurt. Hij is door Volzin uitgenodigd zijn lijfgedicht te geven en daar iets over te vertellen. Hij heeft een gedicht gekozen van Servaas Bellemakers (1947 – 2020) met als titel: Een volk op weg gezet. In plaats van uit te weiden over de tekst van Handelingen geef ik hier dat gedicht (een fragment):

Wie gaat voorop, wil herder zijn
speurend naar water, plekken groen?
De wolven huilen in het bos –
wie vindt een weg om recht te doen?
Wie vrede zoekt moet vechten in
de loden schoenen van de angst.
Maar kreupel en verminkt geraakt
weten wij: toekomst duurt het langst.

(Refrein)

Een volk op weg gezet
om vrede tegemoet te gaan:
De toekomst die is aangezegd
moet doorverteld, verstaan, gedaan.
Zijn wij dat volk, gewekt
om op te staan? Wij gaan.

Wie kent de armen langs de weg:
gepakt, gebruikt, weer weggegooid?
Ziet iemand nog de blindeman,
de stomme en de mankepoot?
Zien wij elkaar? Zij staan al op,
helpen elkaar weer op de been.
Wij reisgenoten in de stoet
horen van hen waarom, waarheen.

Hendrickx zegt bijzonder gegrepen te zijn door de woorden uit het refrein: “wij gaan”, en door de woorden “wie vindt een weg om recht te doen”. Abten kiezen bij hun wijding een spreuk en de zijne werd (in 2013): “Te doen gerechtigheid” naar een lied van Huub Oosterhuis.

Nu naar de tweede lezing. Jezus waarschuwt zijn leerlingen dat het geen gemakkelijke weg zal zijn. Als je zijn weg wilt gaan, de weg van de gerechtigheid, moet je niet verwachten dat ze de rode loper voor je uitleggen. Integendeel, verwacht eerder dat je tegenstand zult ondervinden, ja, het kan je zelfs de kop kosten. Het is geen aanlokkelijk perspectief. Wie kan dat? Met 4/5 mei nog vers in het geheugen denken we aan de mensen in het verzet, aan vrouwen als Jacoba van Tongeren (1903 – 1967) en Etty Hillesum (1914 – 1943). Jacoba werd oprichtster en leidster van de Amsterdamse ondergrondse verzetsgroep 2000. In 1990 werd zij door Yad Vashem geëerd als Rechtvaardige onder de Volkeren. Etty bleef bovengronds, zij ging in innerlijk verzet door te besluiten niemand te haten, ook de vijand niet, en te laten gebeuren wat er ging gebeuren, Westerbork, Auschwitz. In Deventer is sinds 5 mei 1996 het Etty Hillesum Centrum gevestigd in een voormalige Joodse school. Dit centrum hanteert als centrale leus een van de uitspraken van Hillesum: "De omstandigheden, de goede en de slechte, moet men aanvaarden, wat niet belemmert dat men zijn leven eraan kan wijden de slechte te verbeteren." (Dagboek van Etty Hillesum, 3 juli 1942).

Wij hebben twee minuten stilte gehouden waarin we ons de vraag konden stellen: hoe zou ik me gedragen hebben? Je weet het niet. Je kunt steun vinden in de belofte van Jezus dat Hij altijd een Helper zendt, de heilige Geest van Pinksteren …

maandag 3 mei 2021

Op de feestdag van de apostelen Filippus en Jakobus – en van ieder die zijn naamdag viert omdat ie Filip, Flip, Jakob, Sjaak of Kobus heet – valt in de lezingen de naam van de een en de ander. Die arme Filippus heeft geen glansrol in het fragment uit Johannes. Maar liefst vier hoofdstukken lang (14, 15, 16, 17) bevriest Johannes de voortgang van zijn verhaal van Jezus de levende in zijn zogenaamde afscheidsrede. Daarin zegt Jezus keer op keer en nog een keer dat Hij en de Vader één zijn, dat ze met elkaar verbonden zijn, dat ze één zijn in liefde, dat ze met elkaar verkeren in gemeenschap van goederen want alles van de Vader is van de Zoon en omgekeerd is alles van de Zoon van de Vader, ze zijn vanaf het begin bij elkaar, de Vader heeft de Zoon naar de wereld gezonden en nu keert de Zoon weer terug in de boezem van de Vader, de bedoeling van de zending was en is redding voor wie verloren was, eeuwig leven voor wie in God gelooft en in Hem maar dat is hetzelfde; vergeving, heiliging, glorie: vraag maar en je zult het krijgen. Zo vat ik de vier hoofdstukken samen. In ons fragment vandaag stelt Jezus: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Alleen door Mij heeft men toegang tot de Vader. Als jullie Mij hebben leren kennen, zul je ook mijn Vader leren kennen. Sterker, nu al kennen jullie Hem en heb je Hem gezien.” Hierop zegt Filippus: “Laat ons de Vader zien, Heer, dan zijn we tevreden!” Daarom zeg ik: die arme Filippus, hij heeft geen glansrol. Of hij heeft niet goed geluisterd, of hij snapt er niets van. Zoals het verhaal er staat lijkt hij me niet het slimste jongetje van de klas. Maar misschien moeten we Filippus op zijn feestdag niet te hard vallen. Pasen en Pinksteren zijn in het verhaal nog niet geweest, de Parakleet nog niet gezonden. Misschien heeft het helemaal niets te maken met slimheid en gaat het hier om een mystiek zien en weten dat alleen maar door een langzame groei tot stand komt, een langzaam ingroeien in het mysterie dat Christus is, de Vader en de Geest. Filippus was eenvoudigweg nog niet zo ver. Zijn wij dat wel?

In 1Korintiërs 15 valt de naam van de andere apostel wiens feest we vieren: Jakobus. Paulus geeft daar een merkwaardige opsomming van personen aan wie Christus is verschenen na zijn opstanding op de Derde Dag. Hij noemt eerst Kefas en dan de Twaalf. Tussen haakjes, ik mis dan een voetnoot waarin verklaard wordt waarom hij twaalf zegt en niet elf, rekent hij Judas Iskariot hier weer mee? Was Mattias toen al als vervanger gekozen om het twaalftal weer compleet te maken? Maar Paulus gaat verder: vervolgens is Hij verschenen aan meer dan 500 broeders tegelijk. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. Weer mis ik een verklarende voetnoot. Jakobus hoorde toch bij de Twaalf? Bij de twaalf zitten twee Jakobussen: de Meerdere en de Mindere. Hier moet het om de Mindere gaan, die ook als de broer van Jezus wordt opgevoerd en die een grote rol speelde in de eerste christengemeente van Jeruzalem. Wie nog “minder” is, is Paulus die zich zelf aan het slot van zijn opsomming neerzet als een misgeboorte, of een misbaksel. Een weinig verheffende zelftypering.

Wat is het zelfbeeld van christenen? Meer speciaal: wat is het zelfbeeld van katholieken in Nederland? Lees in dat verband in Volzin nr 4 van april van dit jaar het artikel “Buiten dienst. Toen God kleiner moest gaan wonen en ik meekeek” – het is een voorbeschouwing van Anton Stolwijk van zijn gelijknamige boek dat volgens Volzin een tragikomisch portret is van de restanten van het Nederlands katholicisme en van een samenleving die veel meer dan de gebouwen van haar geloofsgemeenschappen in de uitverkoop heeft gedaan. Daarnaast moest ik denken aan Toos Wierema-Ballings (96), vorig jaar gedecoreerd als de oudste ooit, die op de afgelopen koningsdag een virtuele ontmoeting had met de prinsessen en een live gesprek met Amber Brantsen op een dak van Strijp-R. Ze vertelde dat ze nog altijd als kosteres werkzaam is. Enig speurwerk leverde op dat ze in de Wilgenhof de kapel verzorgt en ook kostersdienst doet in de Sint Joriskerk. Zulke oude mensen houden de kerk in onze contreien overeind. Heilige Filippus, heilige Jakobus, sta ons bij!

maandag 26 april 2021

“Ik ben de deur; wie door Mij binnenkomt zal gered worden: die kan vrij in en uit gaan en zal weidegrond vinden” (vers 9). Even verder op zegt Jezus: “Ik ben gekomen opdat ze leven mogen bezitten, en wel in overvloed” (vers 10b). Het is preken voor eigen parochie om te bevestigen dat Jezus de toegang vormt tot een leven waarin je gered bent. Maar als je probeert te preken over de parochiegrenzen heen, regelrecht onze geseculariseerde wereld in … wat kun je dan van deze woorden uit Johannes maken? Wie door Jezus heengaat zal gered worden. De laatste keer dat die woorden voor een groot televisiepubliek aanschouwelijk werden gemaakt, was The Passion op Witte Donderdag 1 april, vanuit Roermond. The Passion laat het elk jaar zien dat het leven van Jezus onlosmakelijk verbonden is met het kruis. Altijd dat kruis, zo luidt de laatste boektitel van Bram van de Beek, een titel waarin ongeduld, ergernis, frustratie klinkt … kan dat niet anders? Nee, kennelijk niet. Borgman (Alle dingen nieuw) citeert met instemming de Algerijnse dominicaan Pierre Claverie (1938 – 1996) die heeft gezegd: “Ik geloof dat de kerk sterft door niet dicht genoeg bij het kruis van Jezus te zijn.” Claverie werd in 1996 in Algerije vermoord, evenals de trappisten van Thibhirine (dit jaar 25 jaar geleden). Hij zag het aankomen, maar wilde zich toch niet veilig stellen. Hij verantwoordde zijn keuze om in Algerije te blijven aldus: “We hebben geen macht, maar we zijn er als aan het bed van een vriend, van een zieke broer, in stilte, om zijn hand vast te houden en zijn voorhoofd af te sponzen. Vanwege Jezus. Omdat Hij degene is die daar lijdt, in dat geweld waarvoor niemand gespaard blijft, opnieuw gekruisigd in het vlees van de meest onschuldigen” (Borgman, 309). Toch is christelijk leven geen verheerlijking van het lijden, er is geen fixatie op het kruis. Jezus doet een uitnodiging om bij hem binnen te gaan, binnen te gaan in de werkelijkheid die getekend wordt door lijden en dood. Maar hoeveel werkelijkheid kan de mens aan? Hoeveel lijden en dood? Gods bedoeling is toch dat de mens leeft en floreert: leven bezit in overvloed? Wie via Jezus naar binnen komt, zegt Johannes, kan vrij in en uit kan gaan en weidegrond vinden. Ik versta die woorden als: de boog kan niet altijd gespannen blijven, het kan ook nodig zijn om uit te gaan, om bij te tanken, om weer op krachten te komen. Neem corona: wie kan het woord nog horen!? In Breda wilde men er even niet meer van horen en werd een fieldlab opgetuigd voor 10.000 mensen die flink uit hun dak wilden gaan met muziek en dans en drank. Met 10.000 mensen de wei in om het leven in overvloed te ervaren. Maar in de buurt van het festivalterrein staat het Amphia-ziekenhuis. Een dokter van het ziekenhuis stelde het zich voor hoe het kaboem kaboem zou doordringen op de ic’s waar de intensivisten vochten voor het leven van hun patiënten. Feest en lijden zaten hier te dicht op elkaar. Hij startte een petitie die in korte tijd door 375.000 mensen werd ondertekend. Als gevolg van die petitie werd het feest afgelast. Maar sinds het laatste persmoment van Rutte en De Jonge blijkt dat er een balanceeract wordt gezocht tussen de noodzakelijke inspanningen om corona te beteugelen, en de noodzakelijke inspanningen om te ontspannen: de terrasjes weer open, de avondklok ingetrokken, 100 mensen bij een uitvaart i.p.v. 30. Hoewel ik de petitie ondertekend heb, sta ik ook achter die versoepelingen. Het is in en uitgaan. Om terug te komen op The Passion: het thema was: “ik ben er voor jou”, met het prachtige slotgebaar van de wijdgespreide armen van Jezus als van het oude H. Hartbeeld. “Ik ben er voor jou” is de godsnaam: met dat gebaar en met wat er voor staat wordt hier in huis elke dag zorg verleend en met dat zelfde gebaar worden ook feesten en festivals omarmd …

maandag 12 april 2021

Maandag na de tweede zondag van Pasen horen we van het nachtelijk gesprek van Nikodemus en Jezus. Waarom is het zo passend dit verhaal kort na Pasen te herlezen? Misschien wel omdat je er een paasverhaal in kunt lezen. Sowieso is het evangelie van Johannes een en al paasverhaal, en zijn alle vier de evangelies plus de Handelingen en de Brieven paasverhalen, want zij zijn ontstaan na en vanuit de paaservaring dat Jezus is Opgestaan en Verrezen. De paaservaring heeft niet alleen betrekking op wat er met Jezus gebeurd zou zijn, maar ook wat er met de vrouwen en de andere leerlingen gebeurd is: ze voelen zich opnieuw geboren en die nieuwe geboorte heeft alles met Jezus en zijn Geest te maken.

Nikodemus begint zijn gesprek met een credo-achtig statement: “We weten dat U als leraar van Godswege gekomen bent.” Jezus geeft op het eerste gezicht een vreemd antwoord, het is eigenlijk geen antwoord maar een bruggetje. Hij pakt dat “van Godswege” op en zegt: “Alleen wie opnieuw geboren wordt, kan het koninkrijk van God zien.” Een spiritueel doorkneed mens ziet in dat dit geen onredelijke voorwaarde is, maar toch we zijn helemaal bij Nikodemus als hij zegt: dat kannie, je kunt niet terug in de moederschoot om nog een keer geboren te worden. Fair enough, dat vindt Jezus ook. Maar het gaat om een nieuwe geboorte uit water en geest. Ach so, nu begrijpen we het. Het gaat over een geestelijke hergeboorte, we zijn als spiritueel mens weer bij Jezus. Een spirituele hergeboorte is voortaan alles zien in het Licht van Pasen, in zijn Geest die alles nieuw maakt als Gods schenkende Schepping. Maar waarom zegt hij: uit water en geest? Wat is het water dan? Het mooie van veel teksten uit de evangelies is dat ze niet uitgelegd worden. Er staat wat er staat, maar wat staat er eigenlijk? Je kunt er over nadenken, je kunt er je eigen uitleg aan geven. Bij water denk ik nu aan vruchtwater. Zonder vruchtwater kan een kind in de buik van zijn moeder niet groeien: het water is het levengevende element dat het ongeboren kind omgeeft totdat de vliezen breken, het vruchtwater wegstroomt en het kind geboren wordt. Als Jezus het water erbij houdt, bedoelt hij dat een leven in de Geest nooit mag vergeten waar het vandaan komt: van de moeder, van de baarmoeder, van het vruchtwater, uit de aarde, uit de werkelijkheid van erotiek en seks, genot en pijn, lijden en dood. Blijf de aarde trouw, zo schreeuwt Nietzsche de christenen van zijn dagen toe die hij van een levensontkennende slavenmentaliteit beschuldigde die meer met het hiernamaals bezig was dat met het hiernumaals en die daarom de dood van God op haar geweten had. Er is geen theoloog die zich de kritiek van Nietzsche niet heeft aangetrokken. Ik verwijs naar Tomas Halík, Raak de wonden aan, Miroslav Volf, Voor het leven van de Wereld en Erik Borgman, Alle dingen nieuw.

Op het einde van zijn grote werk deel 1 komt Borgman met drie Franse woorden die volgens mij die hergeboorte uit water en geest ook oproepen: le point vierge, woorden die hij ontleent aan de Amerikaanse trappist Thomas Merton die ze weer heeft van Louis Massignon. Merton zegt: “In de diepste kern van ons wezen is er een punt van niets-zijn, waar zonde en illusie niet zijn doorgedrongen, een kern van louter waarheid, een vonk die geheel God toebehoort, die nooit tot onze beschikking is, van waaruit God over onze levens beschikt, en die niet toegankelijk is voor de spelingen van onze geest of de brutaliteit van onze wil. Die kleine kern van niets-zijn en volstrekte armoede is de zuiverste glorie van God in ons. Het is, om zo te zeggen, zijn Naam die in ons is geschreven als onze armoede, onze behoeftigheid, onze afhankelijkheid, ons kindschap” (Borgman, blz. 283). Dat is prachtig uitgedrukt, dat is geest, maar waar is het water? Ook daar kunnen we terecht bij Thomas Merton die een ervaring beschrijft die ieder mens die vroeg opstaat kan herkennen en beamen: “Het eerste tsjilpen van de vogels markeren het point vierge van de dageraad onder een hemel nog zonder echt licht, een moment van ontzag en onuitsprekelijke onschuld als de Vader in volmaakte stilte hun ogen opent. Ze beginnen tot Hem te spreken, niet met een vloeiend lied, maar met een ontwakende vraag die hun dageraadstaat is, hun staat op het point vierge. Hun toestand vraagt of het tijd is voor hen te ‘zijn’. Hij antwoordt: ‘ja’. Dan worden ze één voor één wakker en worden vogels” (Borgman, blz. 283).

maandag 29 maart 2021
Jesaja 42, 1 – 7 en Johannes 12, 1 – 11

Vorige week gaven de lezingen ons twee vrouwen: Susanna uit het Oude Testament die vals beschuldigd werd van onzedelijke handelingen, en een naamloze vrouw uit het Nieuwe Testament, uit het evangelie van Johannes, die gestenigd dreigde te worden vanwege overspel. Vandaag, daags na Palmzondag aan het begin van de lijdensweek, staat een met name genoemde Maria in de aandacht; zij heeft lange haren want ze kan er Jezus’ voeten mee afdrogen en ze heeft veel liefde. Vanuit het Lucasevangelie sleept ze een bepaalde reputatie mee – Johannes doet daar niet aan mee – maar deze Maria wordt door Judas Iskariot wel geframed als iemand die verspillend bezig is: het geld van de dure nardusolie waarmee ze Jezus’ voeten zalft, had beter aan de armen uitgegeven kunnen worden. Jezus komt tussenbeide, ten gunste van Maria, en zegt: laat haar haar gang gaan.

Ik wil het vandaag hebben over de gang van de vrouw doorheen de mensengeschiedenis. Gelooft het christendom niet dat Jezus Christus is gekomen voor het heil van alle mensen? En is het niet een feit dat van alle mensen de helft vrouwen zijn? Vrouwen zijn doorheen de hele geschiedenis door mannen achtergesteld in hun rechten, nooit als gelijk of gelijkwaardig gezien; ze worden uitgebuit, mishandeld, misbruikt, verkracht, gedood. Ze kunnen niet veilig en onbekommerd over straat lopen ‘s avonds. De aanleiding voor mijn gedachtes – ik heb ze wel vaker geuit – is de dood van, nee de moord op de 33-jarige Sarah Everard deze maand in Londen. Sta eens stil bij die leeftijd: zij was even oud als Jezus toen hij werd vermoord. Volgens de theologie is Jezus ook gestorven voor deze Sarah. Maar wat betekent dat als het geen loze woorden willen zijn?

In het BBC-programma De Grote Vragen op zondagmorgen werd nagedacht over wat er gebeurt met vrouwen, niet alleen in London, niet alleen in Europa, maar overal ter wereld. De vraag is hoe dat ten goede kan worden gekeerd, wat er gedaan kan worden behalve de rituele demonstraties en wakes die dan ook weer door de politie uit elkaar geslagen worden wegens het overtreden van de corona-maatregelen. Er waren kwamen allerlei deskundigen, wetenschappers, ervaringsdeskundigen aan het woord: cijfers, feiten, verhalen. Ze zijn schrikbarend. De meldingen van geweld tegen vrouwen in de huiselijke situatie tijdens dit coronajaar rijzen de pan uit. Er werd gezegd: corona is een pandemie waarvoor alles uit de kast wordt gehaald om die te bestrijden, in een recordtijd zijn vaccins ontwikkeld … maar geweld tegen vrouwen is óók een pandemie en er wordt bitter weinig aan gedaan. Wat kan er gedaan worden, waar ligt de oplossing?

Sommigen zeggen: veel meer zaken voor de rechter brengen. Slechts één procent van de aangiften voor verkrachting komt voor de rechter. Vaak lopen de zaken op niets uit wegens gebrek aan “wettig en overtuigend bewijs”. Anderen zeggen: het is de opvoeding en de school; je moet jonge kinderen leren dat jongens en meisjes gelijkwaardig zijn. Maar het is bekend hoe machteloos ouders en leraren zijn, bijvoorbeeld tegen het internet en de smartphone waarop jonge kinderen gemakkelijk toegang hebben tot porno, geweld, machismo. Weer anderen zeggen: een cultuurverandering waarin de verkeerde beelden die diep in de psyche verankerd zijn aangepakt worden. Welnu, een van de beelden waar ik als lid van de RKK wat over mag zeggen is het verkeerde vrouwbeeld van Rome dat systematisch, principieel en hardnekkig de vrouw in een ondergeschikte positie heeft gehouden, met vrome smoesjes en drogredenen omkleed, tot op de dag van vandaag. Schaamt de RKK zich niet, schamen die priesters, bisschoppen en kardinalen zich niet? Schaamt de paus zich niet? Dat zij hun posities exclusief voor zich zelf bewaren en geen vrouw naast zich dulden, ja zich niet kunnen voorstellen dat een vrouw priester, bisschop, kardinaal of paus kan worden? Ik kom op schaamte dankzij Arnon Grunberg (Trouw, Tijdgeest 20 maart 2021) die zegt dat correctie op macht begint met schaamte over macht. En ik zeg nu: zolang de RKK die correctie niet aanbrengt helpt zij mee aan het heersende, diep verankerde idee dat vrouwen minder waard zijn dan mannen en doet de kerk niets aan de pandemie van onrecht tegen vrouwen, maar helpt het mee dat onrecht te bestendigen.

Ik zeg dit als man van 76. Je kunt opmerken dat mijn belang wel zo’n beetje is uitgediend. Maar ik ben vader van zes dochters en vier kleindochters (Elisa, Xilia, Renske, Annika) en ik maak me kwaad over de wereld waarin zij nog vooruit moeten. Ik zeg het als theoloog en christen: het is theologisch niet nodig, het is on-evangelisch, het is een aanfluiting van religiositeit. God schiep de mens als man en vrouw, naar zijn beeld en gelijkenis. Nogmaals: Jezus is gestorven voor het heil van alle mensen. De apostelen, allemaal mannen, hadden heel veel om bescheiden over te zijn. De eerste getuige van de Verrijzenis was Maria Magdalena, zij wordt daarom ook wel “de Apostel der apostelen” genoemd (Thomas van Aquino). Zonder haar en de andere vrouwen die met haar naar het graf gingen (zie: Matteüs, Marcus en Lucas) was de kerk niet op gang gekomen. Paulus zegt dat er in Christus geen verschil is tussen Jood en Griek, man of vrouw (Galaten 3,28). De RKK hoeft alleen maar de geest van het evangelie serieus te nemen. Zij heeft een vaccin in handen om de pandemie tegen vrouwen te bestrijden in de vorm van Maria’s nardusolie. Een beetje nardus op de zwarte soutanes van de priesters, de paarse en purperen toga’s van de prelaten, op het witte habijt van de paus, of achter hun oren als herinnering aan de tekst van Marcus 14, 9 waar Jezus zegt: “Ik verzeker jullie, waar ook ter wereld de goede boodschap verkondigd wordt, daar zal ook ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.” De vrouw in de RKK gelijkwaardig aan de man (en gelijkwaardigheid in het jodendom en de islam tussen haakjes maar daar ga ik niet over) zou een sterk teken zijn dat zijn werkzaamheid in het cultureel bewustzijn niet zou missen. Dat moet in de 21ste eeuw kunnen lukken, wil christendom en religiositeit überhaupt nog benen hebben om op te staan. Halleluja.

maandag 22 maart 2021
Daniël 13, 1 – 64 en Johannes 8, 1 – 11

Susanna uit het boek Daniël: elke jaar rond deze tijd treedt ze naar voren en horen we haar geschiedenis die godzijdank goed afloopt; het had ook finaal fout kunnen gaan, zoals het zo vaak fout gaat met vrouwen die in handen van mannen vallen. Zo ook met de naamloze vrouw die ons tegemoet komt in Johannes 8, 1 – 11; zij staat op het punt gestenigd te worden maar heeft het onnoemelijke geluk dat Jezus haar pad kruist. “Wie van jullie zonder zonde is moet maar de eerste steen werpen.” Het is een van de mooiste zinnen uit het Johannesevangelie. Vreemd genoeg is het verhaal niet van Johannes; exegeten hebben dat overtuigend kunnen aantonen. In veel handschriften en oude vertalingen ontbreekt het. Dit is geen wetenschap die ik na veel studie heb opgediept, het staat gewoon in een voetnoot in de Willibrordusvertaling. Hoe het verhaal in Johannes gekomen is blijft een raadsel, het is een soort zwerfkei, maar wel een heel mooie. Deze kei wordt godzijdank niet naar deze vrouw geworpen. Het is al de tweede keer dat ik zeg: godzijdank. Laten we ons realiseren dat we ondanks veel narigheid toch veel hebben om God te danken.

Jezus speelt het klaar om de aspirant stenengooiers tot zelfreflectie te bewegen, om hen te laten nadenken over zich zelf, en meer precies over de vraag of zíj zonder zonde zijn. In een andere voetnoot bij deze tekst staat dat Jezus in het zand schrijft om de mensen wat tijd te gunnen over zichzelf na te denken. Er zijn wel diepzinniger redenen bedacht waarom Jezus in het zand schrijft, maar deze verklaring lijkt mij plausibel genoeg. “Nadenken” is ook het motto en het programma van de nieuwe Denker des Vaderlands Paul van Tongeren (Deventer, 1950), emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Als Jezus na zijn gekriebel in het zand opkijkt hebben de schriftgeleerden en farizeeën nagedacht en zijn ze één voor één afgedropen, niemand die overeind kan houden dat hij zonder zonde is. En Jezus dan? Wij hebben altijd geleerd dat Jezus in alles gelijk geworden is aan de mens, behalve in de zonde. Jezus zou dus zonder zonde zijn, en volgens de spelregel van zijn eigen snelrecht zou hij wel een steen mogen werpen. Maar Jezus ziet af van dat recht en zegt: “Ik veroordeel u ook niet. Ga nu maar en zondig voortaan niet meer.” Een prachtig verhaal, maar hoe loopt het met Jezus zelf af? We komen steeds dichter bij Pasen, steeds dichter bij de ontknoping van zijn verhaal. We weten dat het met hem finaal fout gaat. Na het strovuur enthousiasme van Palmzondag en “Hosanna, gezegend hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël”, volgen zijn laatste dagen waarin hij voor de kerkelijke en wereldlijke overheden verschijnt, vals beschuldigd wordt, overgeleverd wordt om gefolterd en gekruisigd te worden. Nu is er geen Daniël in de buurt die een gerechtelijke dwaling kan voorkomen, geen Denker des Vaderlands die tot nadenken kan oproepen, geen macht meer ter plaatse die de massahysterie en het opgezweepte volk een halt kan toeroepen. Jezus wordt vermalen in de machten en de krachten van onze werkelijkheid, van onze geschiedenis, van de loop der gebeurtenissen zoals het meestal gaat. Jezus zonder zonde, zonder stenen, Jezus het lam Gods.

“Mijn God waarom hebt Gij mij verlaten”? Dit zijn de woorden die we bij Marcus en Matteüs vinden, niet bij Johannes. Daar zegt Jezus: “Het is volbracht.” Hij buigt zijn hoofd en geeft de geest. Wat is dan volbracht? Welke geest geeft Hij? Hier begint het geloofsverhaal pas goed. Het geloof dat God hem heeft opgewekt en aan zijn rechterhand heeft doen plaatsnemen. Godzijdank! voor de derde keer binnen het bestek van dit woordje zeg ik dit. Hier begint het geloof in de “onmogelijke mogelijkheid”, zoals Erik Borgman de denkfiguur van de christelijke theologie omschrijft. Het geloof dat water in wijn veranderd kan worden, dat ieder van zijn heilige berg af kan komen om God in geest en waarheid te aanbidden, dat ieder pas een steen mag werpen als hij/zij zonder zonde is. Het geloof dat alle slachtoffers van onze geschiedenis zich zullen verenigen met het geslachte lam Gods, zoals het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes of de Apocalyps, het schildert. Ultieme troost voor een lijden waarvoor geen troost bestond.

maandag 8 maart 2021
2Koningen 5, 1 – 15a en Lucas 4, 24 – 30

Naäman is boos. Komt ie helemaal uit Damascus naar Israël met een brief van de koning voor de koning, Naäman beleefd aanbevelend en met een vracht aan kostbare geschenken voor een kuur die alleen in Israël beschikbaar is, en dan moet hij zich zevenmaal onderdompelen in een ordinaire lokale stroom. Hem niet gezien. Hij had het zich anders voorgesteld. 2Koningen 5 spelt het uit hoe Naäman gedacht had dat de profeet/genezer zou handelen. “Ik had gedacht: hij zal naar buiten komen en voor me gaan staan. Dan zal hij de naam van de HEER zijn God aanroepen, met zijn hand over de plek strijken en de ziekte wegnemen.” Naäman is verontwaardigd hoe simpel de kuur wel niet is, en rivieren hebben ze in Syrië ook, ja, grotere en mooiere zelfs. Naäman was met zijn huidziekte blijven zitten als zijn dienaren – eenvoudige mensen, neem ik aan – niet verstandiger en wijzer waren geweest dan hun baas. Doe het toch maar, zeggen zij. Ze zullen bij zichzelf hebben gedacht: baat het niet dan schaadt het niet. Naäman is een trotse, lichtgeraakte man, maar tot zijn voordeel moet gezegd worden dat hij naar zijn dienaren luistert en zijn trots inslikt. Hij dompelt zich zeven maal onder in de Jordaan en zijn huid wordt weer als die van een klein kind. Hier moet ik denken aan Jezus die eeuwen later zal zeggen: als je het rijk van God niet aanneemt als een kind, zul je er niet binnengaan.

Maar over Jezus gesproken. Over hem gaat het in de tweede lezing. Hij kent het verhaal over Naäman en de profeet Elisa uit 2Koningen ook. Hij herinnert aan het verhaal dat kennelijk nog een groot kritisch potentieel heeft. De goede mensen uit Nazareth kunnen het niet hebben dat hun plaatsgenoot een profeet zou zijn en dat ie hen voorhoudt dat ze wel eens de boot zouden kunnen missen met hun bekrompen opvattingen en hun trots. Hoe zullen de bewoners van Nazareth en omstreken zich de Gezalfde Gods hebben voorgesteld? Hij die komen zou om alles in orde te maken, de Romeinen het land uit te gooien, het koningschap in ere te herstellen, het goede leven voor iedereen: rijkdom, voorspoed, gezondheid, een huid als die van een klein kind? Dat moet een geweldenaar zijn! Maar Jezus die ze hebben zien opgroeien, wiens broers en zussen hier rondlopen!? En het wordt nog veel erger: Jezus die met doornen wordt gekroond, die als een fake koning wordt bespot, gegeseld, aan het kruis geslagen. Nee, zo hadden zij het zich niet voorgesteld, en zo kunnen wij – die al zo’n tweeduizend jaar hebben kunnen wennen aan het idee – het nauwelijks geloven.

Het is heel moeilijk te geloven dat het heil te vinden is in de buurt van het alledaagse, het kleine, ja het schaamtevolle, in de afgang en het fiasco. Ik kreeg laatst van Ans en Fokke Feenstra – ze zijn aan het ontspullen – twee dessertlepels waarop drie Latijnse woorden staan: miser res sacra. Even googelen bracht me bij de Miser Res Sacra Kapel in Warschau, van de Anglicaanse kerk. De woorden betekenen: het miserabele (daar zit het woord miser al in) is een heilige zaak. Wij kennen het spreekwoord: wie het kleine niet eert is het grote niet weerd. Dit spreekwoord is van toepassing op het oude verhaal uit 2Koningen met Naäman die een eenvoudige kuur moest ondergaan, op het nieuwe verhaal over Jezus die uit het eenvoudige Nazareth kwam, en op ons die heel vaak niet zien dat het evangelie zich afspeelt recht voor onze ogen ….

maandag 1 maart 2021
Daniël 9, 4b – 10 en Lucas 6, 36 – 38

De lezing uit Daniël liegt er niet om. “HEER, wij moeten ons schamen, wij, onze koningen, onze hoogwaardigheidsbekleders en onze familiehoofden, omdat wij tegen U gezondigd hebben.” Het liegt er niet om. Het heeft ook geen zin om te liegen, want God de HEER weet per definitie alles, voor Hem is niets verborgen. Hoe bevrijdend is het om openlijk uit te spreken dat we fout zijn geweest, dat we afgeweken zijn van de geboden en de wetten. Die waren bedoeld om het goede leven mogelijk te maken, maar kijk om je heen en zie wat een puinzooi het is: voor te veel mensen is het leven helemaal niet goed. Als je fouten onderkent en toegeeft is herstel mogelijk, kun je werken om het goed te maken. Daniël formuleert inclusief: wij … van laag tot hoog en heel hoog. Onze overheden in het landsbestuur vinden het moeilijk om fouten toe te geven. Meestal is er een parlementaire enquête nodig om dat af te dwingen. Ondervragingen en verhoren onder ede; dan een rapport waaruit blijkt dat er inderdaad veel onrecht geschied is. Als de schuldvraag aan de orde komt en de vraag wie er verantwoordelijk was, blijkt dat nog heel moeilijk te zeggen: de verantwoordelijkheid was over zovele instanties en schijven verspreid dat op het laatst iedereen fout was. Wij. Over zestien dagen vragen hoogwaardigheidsbekleders en de familiehoofden, ik bedoel de volksvertegenwoordigers om onze stem. Wat zou het verfrissend zijn als op de vooravond van de verkiezingen een openbare biecht zoals in Daniël zou plaatsvinden. Maar we leven in een geseculariseerde maatschappij. Wellicht dat alleen Kees van der Staaij van de SGP dat uit zijn mond kan krijgen: “Hopelijk is de HEER onze God barmhartig en vergevingsgezind, want wij zijn opstandig geweest tegen Hem en wij hebben niet geluisterd naar de HEER onze God en wij hebben niet geleefd volgens de geboden die Hij ons door zijn dienaren, de profeten, gegeven heeft.” De voorlieden van de andere partijen, Lilian, Lilianne, Sigrid, Jesse – en ik voeg daar vooral Esther aan toe, de vrouw die zich echt serieuze zorgen maakt over de toestand van plant, dier en mens – zullen vooral hopen dat de kiezer barmhartig is en vergevensgezind. U ziet dat ik – afgezien van Jesse – vooral mijn hoop heb gevestigd op de vrouw. Daarom moet ik tot slot iets zeggen over de hoofdletter en over de godsaanduiding HEER. In de NBV21 komt de hoofdletter weer terug, Hij met een hoofdletter en God de HEER alles hoofdletters. Feministische theologen hebben bezwaar aangetekend en zeggen: daarmee wordt de klok weer teruggezet (NBV 2004 had kleine letters bij verwijzingen), wat moet de vrouwelijke helft van de mensheid daarmee? Peter-Ben Smit, hoogleraar contextuele bijbeluitleg aan de VU in Amsterdam heeft zich in die discussie gemengd. Hij is een geestige man, feministische theologie is heel oké voor hem, maar hij heeft nu wel de hoofdletters verdedigd. Hij met hoofdletter is van een totaal andere orde dan hij met een kleine letter, zegt hij, dat drukt juist het verschil uit tussen God en mens. En we zijn het er natuurlijk al lang over eens dat God niet geslachtelijk is; je moet bij God niet denken in termen van mannelijk of vrouwelijk. En HEER met allemaal hoofdletters is van een andere orde dan meneertje zus of zo. De hoofdletter, nogmaals, drukt verschil uit en dat moeten we handhaven. Tja, waarschijnlijk maakt u er zich niet druk om, ik zal er dan ook maar gauw over ophouden.

maandag 22 februari 2021
1Petrus 5, 1 – 4 en Matteüs 16, 13 – 19

Vandaag is het de feestdag van de Cathedra van de heilige apostel Petrus, de Heilige Stoel dus. Op die stoel zit volgens de katholieke geschiedschrijving de regelrechte opvolger van de apostel Petrus. Deze stoel is wel een dag en een feestje waard. Ik zal me verder zo goed als ik kan van ironie of sarcasme onthouden. Dat is niet zo moeilijk, want de huidige gebruiker van die stoel, paus Franciscus, verdient ons aller respect en bewondering voor de wijze waarop hij zijn ambt vervult. Hij zit niet ver af van de oproep in 1Petrus – de eerste lezing. Daarin worden de oudsten vermaand goed te zorgen voor de kudden (mv) van God: Hoedt ze zoals God het wil: niet uit dwang, maar vrijwillig, niet uit winstbejag maar met toewijding. Speel niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar wees een voorbeeld voor de kudde. Dit is dus de gedragscode voor de hoogste baas, de opperherder, de ceo van de rkk. Ik vertel geen nieuwe dingen. Een oude en eerbiedwaardige titel van de paus is Servus servorum, de dienaar der dienaren. Het katholieke geloof is een heerlijk geloof – het christendom om het ruimer te formuleren – is een fantastisch geloof dat veel dingen op zijn kop zet: vijanden liefhebben, eersten die laatsten zijn en laatsten die eersten zijn. Zeventig maal zeven maal vergeven. Alles weggeven. Het kruis opnemen en Jezus achterna. Geloven in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwige leven. Amen.

De oorsprong van het feest van de Heilige Stoel, weer volgens de rechtzinnige rooms-katholieke traditie (de Reformatie denkt daar anders over, evenals de Oosters-orthodoxe traditie, om maar te zwijgen van de evangelicals en de pinksterkerken van Amerikaanse of Afrikaanse snit), die oorsprong ligt in de tekst van Matteüs die we horen in de tweede lezing, waar Jezus zegt: Jij bent Petrus; op die steenrots zal ik mijn kerk bouwen; en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn. Dat is nogal een mandaat! De roomse kerk heeft haar gezag altijd aan deze tekst ontleend, haar gezag en haar sleutelmacht. Andere christelijke kerken kennen deze tekst natuurlijk ook; zij hebben een uitleg die niet per se uitkomt in Rome of het Vaticaan. Ik blijf daar verder van af. Nogmaals, als de pausen een gedragscode hanteren volgens 1Petrus dan is het mij best. Waarom zou je tegen een dienend leiderschap zijn, tegen een baas die niet de baas wil spelen?

Maar nu naar het eerste deel van de tekst, de zogenaamde belijdenis van Petrus waardoor hij het vertrouwen van Jezus krijgt, het mandaat om dingen te binden en te ontbinden op de aarde als in de hemel. Jezus vraagt aan zijn leerlingen: wie ben ik volgens jullie? Eerst draaien de leerlingen nog wat om de hete brij heen, en zeggen ze wat anderen zeggen. Anderen zien in Jezus iemand zoals Johannes de Doper, of zoals Elia. Weer anderen herkennen in Jezus een nieuwe Jeremia of een van de andere profeten. Het onbekende enigszins naar je toe halen door het in een mal te stoppen die je bekend is. En dan komt het: En jullie, wie ben ik volgens jullie?

Dat is een vraag! Hebt u dat wel eens aan een ander gevraagd? Waarschijnlijk niet. Ik heb me de laatste tijd verdiept in Marieke Lucas Rijneveld (1991). Wie is zij, wie zeggen de mensen dat zij is? Op de eerste plaats is het onduidelijk of het wel een zij is. Zelf vindt ze zich een tussenmens, niet vrouw niet man óf beiden tegelijk zoals haar voornamen aanduiden: Marieke én Lucas. Haar romans: De avond is ongemak, en Mijn lieve gunsteling … als je ze leest denk je: de schrijver van deze romans is zwaar gestoord. Anderen zeggen: grote literatuur, het beste wat er sinds lang geschreven is, een belofte voor de toekomst. In Brabants Dagblad van 7 februari stond een groot interview met haar. Daarin zegt ze dat ze voor alles bang is, ze wordt geplaagd door een legio aan demonen, ze twijfelt aan alles, ze maakt moeilijk vrienden, het schrijven houdt haar overeind. “Als ik een dag niet schrijf, heb ik het gevoel dat ik niet besta.” Boven het hele interview staat als kop: “Soms verlang ik naar de liefde.” Eerder las ik hoe mensen op haar reageren als ze boeken signeert of een optreden verzorgt: ze zijn onder de indruk, ze willen haar aanraken, ze beschouwen haar als een Messias. Ik denk dat hier omkeringen in het spel zijn: de mensen die dat willen worden gedreven vanuit een soort messiasgevoel waarmee zij Marieke Lucas willen redden, omdat ze beseffen dat hier zich een mens toont die redding behoeft en liefde nodig heeft: ecce homo. Het messiasgevoel is gedemocratiseerd en verspreid over velen.

Maar dit is de belijdenis die Petrus zoveel credits geeft: U bent de Messias, de Zoon van de levende God. Weet Petrus wat ie zegt? Weet ie nu wel wat ie zegt? Op de berg Tabor bij de Gedaanteverandering was hij aan het raaskallen met de drie tenten die hij wilde gaan bouwen. Maar of hij het weet of niet, Jezus geeft hem een aai over de bol: Goed zo Petrus … maar dat heb je niet van je zelf, dat moet je van de Vader hebben die het je heeft geopenbaard. Jezus is een ook tussenmens, God én Mens, mens tussen de mensen, God onder mensen. En daarom vieren wij op 22 februari het feest van de Cathedra, het feest van de Heilige Stoel …

maandag 15 februari 2021
Gen. 4, 1 – 15.25 en Marcus 8, 11 – 13

Als je Genesis 4,1 – 15.25 leest dan kun je begrijpen waarom Jezus in Marcus 8, 11 – 13 hartgrondig zucht. De farizeeën vragen aan Jezus een teken uit de hemel. Godallemachtig, weten ze wel wat ze vragen!? Lees er dus Genesis op na, het verhaal van Kaïn en Abel. Kaïn is een landbouwer en offert God van de vruchten van de grond, Abel is een schaapherder en offert de eerstgeborenen van zijn beste schapen. Pas op: nu komt dat teken uit de hemel. De HEER slaat geen acht op het offer van Kaïn, maar Hij ziet genadig neer op Abel en zijn offer.

In de prentenbijbel van Gustave Doré stond daar de prent van het offer van Kaïn met neerslaande rook, en het offer van Abel met rook die mooi rechtop naar de hemel steeg. Heel suggestief. Maar Genesis meldt niets over neerslaande of opstijgende rook, niets over de kwaliteit van die offers, niets over het waarom van aanvaarden en afwijzen, het is pure goddelijke willekeur. Wel verhaalt Genesis over de reactie van Kaïn: grote woede die leidt naar de broedermoord, de archetypische eerste broedermoord in een serie van velen in de geschiedenis van de mensheid. Het is goed op te merken dat het contact tussen de Heer en Kaïn niet afgebroken wordt; hij zal niet meer in zijn nabijheid verkeren of met Hem wandelen. Als Kaïn klaagt dat ie het grondig verprutst heeft en dat hij een vagebond en een zwerver zal zijn, vogelvrij en dat iedereen hem kan doden, dan zegt God: nee, wie het ook is die Kaïn doodt, hij zal zevenvoudig boeten. “En de HEER gaf Kaïn een merkteken, om te voorkomen dat ieder die hem ontmoette hem zou doden. Daarna trok Kaïn weg uit de nabijheid van de HEER en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden.” In een aantal verzen verderop zegt Genesis: “Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw; zij baarde een zoon en noemde hem Set. Want, zei ze, God heeft mij een andere zoon geschonken in de plaats van Abel, die door Kaïn is vermoord” (vers 25). Ik kan dit vers moeilijk anders lezen als: DWDD de wereld draaide door, uithuilen en opnieuw beginnen, zand erover en weer dapper verder. Het heeft iets schouderophalends, iets relativerends, ach, wat doet het ertoe. Maar zo lees ik het waarschijnlijk verkeerd. Genesis is pas het begin, het eerste bijbelboek. Er zullen nog vele boeken volgen tot en met de Apocalyps van Johannes. Onderweg doemen veel vragen op; er zijn wel antwoorden, maar vele vragen blijven onbeantwoord.

Zijn alle mensen kind van God? Of alleen religieuze mensen, of alleen gedoopte mensen? We leerden vroeger dat je door het doopsel lid werd van de kerk én kind van God. Ik heb het wel eens aan bisschop De Korte gevraagd, een bisschop moet zoiets wel weten dacht ik. Ik vroeg hem: Zijn niet alle mensen kind van God; waarom zegt de oude catechismus dat je door het doopsel kind van God wordt? Ik zag dat de bisschop aarzelde, zijn antwoord was niet erg helder. Denken we inclusief of exclusief, sluiten we alle mensen in of sluiten we sommige mensen uit? Doet God zoiets? In het jongste boek van Erik Borgman, Alle dingen nieuw, zie ik dat hij zich ook met die kwestie bezig houdt, en hij is niet de eerste want Thomas van Aquino, de grote filosoof/theoloog van de RKK (1225-1274) deed het al voor hem. Thomas denkt inclusief, maar maakt een onderscheid tussen ongevormd geloof en gevormd geloof. Gedoopte mensen mag je veronderstellen hebben een gevormd geloof; zij zeggen “ja” tegen het kindschap en proberen er naar te leven. Ongedoopte mensen, zij die misschien nog nooit gehoord hebben van God laat staan van Jezus, hebben een ongevormd geloof – misschien moet je zeggen een ongearticuleerd geloof. Zij kunnen moeilijk “ja” zeggen tegen het kindschap, maar ze kunnen wel een leven leiden in liefde en waarheid. Daarbij geldt dat het nooit te laat is om voor zo’n leven te kiezen. Van die mensen moet je toch aannemen dat ze ook kind van God zijn. Dat is het antwoord van Thomas en Erik.

In het verhaal van Kaïn en Abel leren we dat God zelfs de broedermoordenaar niet afschrijft. In het evangelie vertelt Jezus over de verloren zoon: de vader ziet voortdurend uit naar zijn terugkeer en ontvangt hem vol blijdschap als hij terugkeert. Nu nog die hartgrondige zucht uit het Marcusevangelie. Waarom moet Jezus zo zuchten over dat teken uit de hemel? Omdat hij niet meegaat met het aangeharkte wereldbeeld en de afgebakende theologie van zijn farizeïsche vrienden. Hij zucht volgens mij ook over Thomas van Aquino en Erik Borgman. Hij zucht omdat ook hij verbijsterd is over het offer van Kaïn en Abel en over de willekeur van God. Ook voor Jezus is God onbegrijpelijk …

maandag 1 februari 2021
Hebr. 11, 32 – 40 en Marcus 5, 1 – 20

Marcus is meestal kort van stof, maar nu gaat hij voluit in zijn verhaal over de bezetene in het land van de Gerasenen. Het gaat over één bezetene die als een hopeloos geval beschouwd moet worden: niemand kon hem meer vastbinden, niet met kettingen of voetboeien, enkelbanden zouden wij zeggen. Hij loopt te tieren en te razen tussen de graven en over de bergen, hij is de schrik van de brave hardwerkende burger. Aan duiding wordt niet veel gedaan, hij is in de macht van een onreine geest, zegt Marcus; de psychiatrie staat nog maar in de kinderschoenen ten tijde van Jezus. Maar Jezus vraagt naar zijn naam, en kinderschoenen of niet: dat is waarschijnlijk het beste wat hij kan doen en heeft zijn geldigheid toen en nu. Het is de persoonlijke benadering die we ook aantreffen bij burgemeesters als Aboutaleb, bij wijkagenten en de jongerenwerkers als er razernij is, opgekropte woede die een uitlaat zoekt met stenen gooien, vernielingen, plunderingen, matten. Een benadering die waarschijnlijk effectiever is dan het inzetten van het leger. De naam waarmee de bezetene zich bekend maakt is: “Legio want we zijn met velen.” Velen zijn in onze dagen bezeten van een onreine geest van woede. Het lijkt wel of we zelf in het land van de Gerasenen wonen, een naam waarin het geraas doorklinkt van talloze mensen die terecht of onterecht boos zijn, meestal terecht vermoed ik. Ik zal hier niet de ellenlange lijst opsommen van de redenen tot boosheid, daarvoor hoef je alleen maar de krant te lezen. Maar wat doe je eraan? In een humane samenleving zijn er twee vreedzame mogelijkheden: zoals gezegd de persoonlijke benadering én stemmen op een partij die echt de onrechtvaardigheden in onze maatschappij, de grote problemen van de wereld, wil aanpakken met verstandige maatregelen. Jezus geneest de bezetene met onorthodoxe maatregelen: legio onreine geesten transporteren in een troep varkens die zich in het meer stort waar ze verdrinken is niet een op een over te nemen. Soit. Als de Gerasenen komen kijken wat er gebeurd is, vinden ze de schrik van de streek bij Jezus zitten, gekleed en bij zijn volle verstand. Waarom heeft Marcus dit verhaal zo uitvoerig verteld? Volgens Bas van Iersel die zijn hele werkzame leven met het Marcusevangelie bezig was – hij was ook een soort bezetene – heeft Marcus een selfie gemaakt. Tegen het einde van zijn verhaal doet hij dat nog eens op het moment dat Jezus gearresteerd wordt. Al zijn leerlingen slaan op de vlucht, maar er is een jongeman – out of the blue – die hem volgde met slechts een linnen doek om het naakte lijf. Hoe weet Marcus dat, behalve als hij het over zich zelf heeft? De M.E. grijpt hem vast, maar hij laat de doek achter en vlucht naakt weg. Weer blijkt hij ongrijpbaar. Na zijn genezing wil hij zich aansluiten bij de leerlingen van Jezus, maar hij staat hem dat niet toe. Hij krijgt een andere zending. Ga naar huis, naar uw familie en vertel wat de Heer voor u gedaan heeft. Dat deed ie en hij vertelde zijn verhaal ook in de Dekapolis, de tien steden. We kunnen ons voorstellen dat hij gefascineerd was door deze Jezus en dat ie hem toch bleef volgen, van een afstand. Zo gefascineerd dat hij ook ging schrijven wat dan het Marcusevangelie is geworden.

De lezing uit Hebreeën is een goede match met het verhaal over de Gerasenen. Ik haal een paar verzen terug: zij werden gestenigd, doormidden gezaagd, terecht gesteld met een zwaard. Zij zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen, ten prooi aan ontbering, mishandeling. Ze hielden zich op in woestijnen en in de bergen, en in de krochten van de aarde. Van dit zooitje ongeregeld zegt de auteur van Hebreeën: ze waren te goed voor deze wereld. Hij wil dat deze mensen vermeld worden vanwege hun geloof.

En wat is nu de moraal van dit verhaal? De moraal is dat mensen bij hun zinnen komen als Jezus naast hen gaat zitten, als Jezus hen vraagt naar hun naam. Hij kent geen tuig, schorem en geteisem, maar alleen kinderen van zijn Vader, kinderen weliswaar met wie iets is fout gelopen. Tutti fratelli, zoals paus Franciscus ons allen noemt. Dit is het geloofsartikel voor de 21ste eeuw; het is niet eenvoudig om het te geloven, nog minder om er naar te handelen, maar waarschijnlijk het enige artikel waarmee de mensheid kan overleven …

maandag 25 januari 2021
Hand. 22, 3 – 16 (of: Hand. 9, 1 – 22 ) en Marcus 16, 15 – 18

“Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen” (Marcus 16, 15). Deze apostolische zending, die op een heel bijzondere wijze is opgepakt door Paulus – vandaag viert de kerk “de bekering van de apostel Paulus” – kun je met een beetje goede wil terugzien in de massamedia: radio, televisie, internet, kranten (digitaal of op papier) gaan de hele wereld door en bereiken elk schepsel. Het is alleen de vraag of het altijd “de goede boodschap” is en niet veeleer het slechte nieuws. Vandaag wil ik de aandacht vestigen op Trouw van dinsdag 19 januari 2021. Er zullen maar weinig mensen zijn die hun krant van voren tot achteren uitspellen, maar het twee pagina’s grote interview met Pim van Lommel, die veel publiceert over bijna-dood-ervaringen, kon je toch niet ontgaan, vooral door de pakkende kop: JE KIJK OP DE DOOD BEPAALT JE LEVENSHOUDING. In deze tijd van massale sterfte door corona en/of ouderdom moeten we even bij de les blijven. Leven en dood – en de liefde natuurlijk – waar moeten we het anders over hebben? Laten we eerst vaststellen dat de meeste mensen een gezonde hekel hebben aan de dood: een mens wil leven. Waarom is dat zo? Omdat het leven alles is. De zin van het leven is het leven. De zin van het leven is koffie of thee drinken met de mensen die je graag ziet – ik zal het Vlaams zeggen. De levensdrift zeggen biologen en dieptepsychologen is de diepste drijfveer van de mens. Ook gelovige mensen, c.q. religieuzen van wie je dat toch niet zou verwachten gezien hun Godsvertrouwen, kunnen een geweldige hekel hebben aan de dood. Deze hekel kan zelfs religieus gemotiveerd zijn, lees Psalm 88 er maar op na: HEER, radeloos roep ik naar boven. Een dode kan U toch niet loven? Prijst iemand U vanuit het graf? Spreken de doden van uw daden? Het is een prachtig spelletje schaak van de vrome Jood met God. Het is in Gods belang om de gelovige in leven te houden, anders prijst niemand U. God, doe er wat aan, houd mij in leven. Intussen wordt de dood geen halt toegeroepen, gelovigen en ongelovigen sterven, ieder mens weet dat hij vroeg of laat zal sterven. De dood is een feit en een probleem. Terug naar Pim van Lommel, de specialist van de bijna-dood ervaringen. Mensen die zo’n ervaring gehad hebben, zegt hij, staan voortaan anders in het leven, vanuit een veranderd bewustzijn. Je bewustzijn, zegt hij, bepaalt sowieso al hoe je de wereld ziet. Iemand die verliefd is vindt de hele wereld prachtig, maar iemand die depressief is ziet diezelfde wereld als een ramp. Hij vertelt een verhaal uit de Tweede Wereldoorlog over een Poolse man die iedereen in het concentratiekamp aan het helpen was. En hoewel het merendeel van de mensen halfstervend en ziek was liep deze man er al vier jaar sterk en gezond rond. Hem werd gevraagd hoe het mogelijk was de ellende van het concentratiekamp te overleven. Hij vertelde dat zijn vrouw en kinderen in Warschau voor zijn ogen waren doodgeschoten en dat hij zich op dat moment realiseerde dat hij de keus had: ga ik haten of ga ik liefhebben? De intrinsieke keuze voor liefhebben gaf hem de kracht om door te gaan.

Nu moet ik het eindelijk gaan hebben over de aanleiding tot deze bespiegelingen: de bekering van Paulus. Het is een van de beroemdste bekeringsverhalen uit de geschiedenis van de mensheid, in ieder geval van onze westerse beschaving. Zonder die bekering van Paulus, op weg naar Damascus om de volgelingen van Jezus uit te roeien, zonder dat verblindende licht dat hem uit het zadel wierp, zonder die stem die hem toeriep: Saulus, Saulus, waarom vervolg je Mij? was het christendom waarschijnlijk niet op gang gekomen, of was het beperkt gebleven tot een lokale variant van het Jodendom. Het was een bekering die de wereld voorgoed zou veranderen. Maar wat gebeurde er eigenlijk met Paulus, hoe kunnen we die gebeurtenis verklaren of begrijpen – als we het letterlijke verhaal niet meer voor zoete koek willen slikken? Ik heb er Tom Wright op herlezen die een biografie van Paulus geschreven heeft. Men heeft gedacht dat met die zogenaamde Damascus ervaring een epileptische aanval beschreven wordt. Als je van de school bent dat je samenvalt met je brein dan is dat misschien een bevredigende verklaring. Maar dan heb je nog niet begrepen wat er is gebeurd. Paulus zelf heeft er jaren over gedaan om te begrijpen wat hem overkomen is, hij is er voor op retraite gegaan in Arabia. Volgens Wright is het geen bekering in de normale zin van het woord dat je aanhanger wordt van een (andere) godsdienst. Paulus geloofde voor en na die ervaring in de God van Abraham, Izaak en Jacob. Hij geloofde voor en na die ervaring dat het heil uit de Joden zou komen, hij geloofde in de belofte aan aartsvaders en profeten. Hij was een ijverig dienaar van de Wet voor en na. Het is eerder dat die ervaring alles in een ander licht zet, dat de stukken op hun plaats vallen, dat de Jezus die hij aan het vervolgen is juist het Licht der wereld is. Dat niet haat, vervolging, woede en geweld, dood en vernietiging het antwoord is, maar de liefde zoals die belichaamd werd in Jezus, gekruisigd, begraven én opgestaan op de Derde Dag, zetelend aan de rechterhand van God. Niemand zal mooier schrijven over de liefde als deze Paulus, lees 1 Korintiërs 13 er maar op na. De dood? Dood waar is je overwinning? Dood waar is je angel zal hij met veel gevoel voor drama uitroepen verderop in de brief aan de Korintiërs (1Kor. 15, 55). Vooruit, misschien was Damascus een bijna-dood ervaring, Paulus had daarna een vernieuwd bewustzijn al zijn wij christenen gewend dat eerder in termen van een nieuwe geest te zien: de heilige Geest die van God uitging en neergedaald was op Jezus zijn geliefde Zoon. Deze zelfde Geest van liefde en waarheid gaf Paulus’ voeten vleugels, gaf hem de woorden in van zijn Brieven, met deze Geest kon hij de opdracht waarmaken die Jezus aan het slot van het Marcusevangelie aan zijn leerlingen geeft: “Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen.”

In deze Geest leven en sterven ook wij. Met psalm 108 bidden we op de vierde maandag van de maand in het ochtendgebed*:

Ik ben bereid, mijn God, ik ben bereid,
ik zing en speel voor U.
Ontwaak, mijn geest, wordt wakker, harp en citer.
Ik wek de dageraad (Psalm 108, 2 – 3).


* Zie: Borgman, Alle dingen nieuw (blz. 35).

maandag 18 januari 2021
Heb. 5, 1 – 10 en Marcus 2, 18 – 22

Vandaag een kort evangelie, slechts vijf verzen. Maar Marcus is sowieso kort van stof, hij schrijft zijn verhaal in grote vaart. Heel geschikt voor ongeduldige mensen. Kort maar krachtig, is het gezegde. In die vijf verzen zitten een paar pittige uitspraken: geen nieuwe wijn in oude zakken, nee, jonge wijn moet in nieuwe zakken. Naai geen lap van ongekrompen stof op een oude jas, anders trekt het opgezette stuk eraan, nieuw aan oud, en wordt de scheur nog erger. Het moet als muziek in de oren klinken van jonge mensen die alles anders willen, die zich gefrustreerd voelen door de traagheid van de dingen. Zou Jezus zich als een lap ongekrompen stof hebben gezien? Zich zelf hebben gevoeld als jonge wijn? Zijn optreden schuurde wel: hij is voortdurend in botsing met farizeeën, schriftgeleerden en de oudsten van het volk. Ook in het fragment dat we vandaag lezen storen de farizeeën zich aan het feit dat de leerlingen van Johannes wel vasten, maar zijn leerlingen niet. We zien scheuren op diverse plaatsen in het evangelie. De hemel scheurt open als Jezus zich laat dopen in de Jordaan, het voorhangsel van de tempel scheurt op het moment dat Jezus sterft aan het kruis. Een scheur hoef je niet per se als iets negatiefs te zien, zoals de beroemde regel van Leonard Cohen zegt: There is a crack in everything. That’s how the light gets in. In alles zit een barst, zo komt het licht naar binnen. De nieuwe lap die het christendom vormt heeft een scheuring gebracht met het Jodendom waaruit Jezus voortkwam; hedendaagse theologen gaan dat steeds meer betreuren; ze zien steeds beter hoe schadelijk die scheuring is (geweest) voor het begrijpen van Jezus en voor de identiteit van het christendom. De tekst van de eerste lezing uit de brief aan de Hebreeën is voor een hedendaags mens compleet onbegrijpelijk, je reinste wartaal, als je niet de wereld van het Jodendom kent, de oudtestamentische beelden, de taal der psalmen. Priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek. Mijn zoon ben jij, ik heb je vandaag verwekt. Je moet dan weten: aha, Leviticus, Exodus, psalm 2 en psalm 110. Niet als een staaltje van bijbelgeleerdheid, maar om aan te voelen uit welke wereld die teksten komen, welke ervaringen ten grondslag liggen aan die woorden. Onze ervaringen zijn totaal anders, hoe moeten we die teksten ooit nog verstaan? O ja: zijn ze zo totaal anders? Wat Hebreeën van Jezus zegt is anders herkenbaar genoeg: In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en onder tranen gebeden en gesmeekt tot God, die hem uit de dood kon redden. Met hoe veel mensen gaat het niet precies zo, ja, ik vrees dat het zo met ons allemaal zal gaan. En dan was Jezus nog wel Gods zoon! God kon hem uit de dood redden! Maar God discrimineert kennelijk niet. Hebreeën weer: Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; en toen Hij tot de voleinding was gekomen, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, oorzaak geworden van eeuwige redding. En wat is die redding? Na zijn lijden en dood heeft God Jezus doen opstaan uit de dood, en zetelt Hij aan Gods rechterhand.

Ik heb wel eens verteld van een cynische kennis die mij af en toe vraagt hoe het met Jezus is. Ik zeg dan altijd: goed! Hij zetelt aan Gods rechterhand. Dan moet hij lachen en we gaan onze gang. Het mooie van ons geloof is dat we geloven dat het uiteindelijk ook met ons goed zal gaan. Straks zitten we allemaal aan Gods rechterhand.

Tot slot wil ik stil staan bij het begin van Erik Borgmans boek: Alle dingen nieuw, een theologische visie voor de 21ste eeuw. Hij is op zoek naar een theologische stijl, op zoek naar een vorm waarin je in de 21ste eeuw theologie kunt bedrijven. Aan het begin van die grote zoektocht plaatst hij een gedicht van de Poolse jeugdboekenschrijfster en dichteres Anna Kamienska (1920 – 1986) met als titel: Een gebed dat verhoord zal worden. Het gaat zo:

Heer laat me veel lijden
en dan sterven.

Laat mij door stilte lopen
en niets achterlaten zelfs geen vrees.

Laat de wereld voortbestaan
laat de oceaan het zand blijven kussen

Laat het gras groen blijven
zodat de kikkers zich er kunnen verstoppen

zodat iemand zijn gezicht erin kan begraven
en zijn liefde uitsnikken

Laat de dag stralend beginnen
alsof er geen pijn meer was

En laat mijn gedicht helder zijn als een raam
waartegen een hommel zijn kop stoot.

Ik geef ook nog het commentaar van de Amerikaanse dichter Christian Wiman. Hij ziet in dit gedicht een hernemen van wat hij het mooiste en verschrikkelijkste gebed noemt dat iemand kan bidden. Jezus die in de tuin van Getsemane bidt: Niet mijn wil, maar uw wil (Mt. 26, 39; Mc. 14, 36; Luc. 22, 42). Het zijn woorden die we nagenoeg dagelijks bidden in het Onze Vader. We hebben het zo vaak gebeden dat het een oefening is geworden voor die ene keer dat het er werkelijk op aan komt ….

maandag 11 januari 2021
Heb. 1, 1 – 6 en Marcus 1, 14 – 20

Vandaag gaan de twee lezingen over het begin en wat dat begin betekent. Bij Marcus is het een klein begin, bij Hebreeën een grandioos begin. Het is alsof we met een zoomlens aan het spelen zijn: inzoomen en uitzoomen en het is aan ons wat we willen zien. Of we ons herkennen in het kleine plaatje, of dat we liever het grote geheel in het vizier willen krijgen. Ik ga dat uitleggen.

Marcus verhaalt, nadat hij Johannes de Doper heeft geïntroduceerd en direct daarna Jezus uit Nazaret die zich door de Doper heeft laten dopen waarna hij 40 dagen in de woestijn beproefd werd en er gesterkt uit naar voren kwam – ongetwijfeld met de Doopervaring in zijn lijf en de stem in zijn hoofd: Jij bent mijn geliefde zoon, in wie Ik vreugde vind, Marcus verhaalt dus dat Johannes wordt overgeleverd en dat Jezus op dat moment aan de bak moet, zoals ik me vorige week vrij oneerbiedig heb uitgedrukt. Zelf zegt hij het wat plechtiger, namelijk aldus: “De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer u! Heb geloof in de goede boodschap.”

Voordat ik stil sta bij de eerste stappen die volgen op dat mission statement, ga ik weer even terug naar het zogenaamde verborgen leven van Jezus in Nazaret. Hij heeft daar een klein en onopvallend leven geleid. Omdat zijn vader timmerman was, neem ik aan dat hij zich in het timmerwerk bekwaamd heeft. Hij zal allicht hebben gewerkt aan de bouw van kleine huizen, want later wist hij in een parabel met kennis van zaken te vertellen dat je een huis niet op zand moet bouwen maar moet funderen op rots. Misschien heeft hij naar zijn moeder gekeken hoe zij kleren aan het verstellen was, misschien aardde hij trouwens meer naar zijn moeder en was hij kleermaker, want in zijn parabels wist hij dat je geen nieuwe lap op een oude jas moet naaien want dat gaat trekken en scheuren. Of hij nu timmerman was of kleermaker, in beide gevallen zal hij een klein spaarcentje hebben gespaard, want als hij aan zijn missie begint, vestigt hij zich in Kafarnaüm, een naburige plaats, want hij voelt wel aan dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet wordt erkend: familiarity breeds contempt. Hij moet daar een huis hebben gekocht of gehuurd, de evangelisten zeggen daar niets over. Ik ben nog steeds aan het fantaseren. Wat deed Jezus in zijn vrije tijd als hij niet de bijbel aan het bestuderen was? Ik denk stappen met zijn vrienden. Nu volg ik weer het verhaal van Marcus: “Toen hij eens langs het meer van Galilea liep, zag hij Simon en Simons broer Andreas op het meer hun netten uitgooien; want het waren vissers. Een eindje verderop zag hij Jakobus van Zebedeüs en zijn broer Johannes; ze waren in hun boot de netten aan het klaren.” Hij roept ze op om achter hem aan te gaan, en hij zegt tegen ze dat hij hen tot vissers van mensen zal maken. En ze doen het meteen. Ze laten alles achter en gaan met hem mee. Ik denk dus dat Jezus al gewend was te gaan stappen met Simon, Andreas, Jakobus en Johannes. Het waren geen wildvreemden, hij kende ze al. Ze hadden al veel met elkaar opgetrokken, veel met elkaar gepraat. Moeten we nou ons hele leven vissen vangen, netten klaren … is dat alles wat er is? En dan komt de geest over hun merkwaardige vriend en dan komt hij op een goede dag naar hen toe en zegt: we gaan mensen vangen voor het koninkrijk van God. Kom mee, dat is veel spannender, dat is veel zinniger.

Nou, dat hebben ze geweten. Wat ze in het volgende anderhalve jaar (of drie jaren – de tijdlijnen van de vier evangelisten lopen uiteen) mee maken met die Jezus van Nazaret is welhaast onbeschrijfelijk, daar heb je geen woorden voor. Er gaan decennia overheen voordat Marcus als eerste zijn verhaal opschrijft, zich baserend op wat hij her en der gehoord heeft. Matteüs neemt veel van Marcus over, maar heeft ook onafhankelijke bronnen. Zo ook Lucas. Zo ook ten slotte Johannes. Paulus is iedereen voor en is de eerste die over Jezus gaat schrijven in zijn brieven. De eerste generaties christen-Joden hebben echt geworsteld met hun ervaringen, met hun geloof, met hun begrijpen wat er was gebeurd toen “de tijd rijp was”, toen die profeet uit Nazaret ging verkondigen “dat het rijk van God ophanden was” en dat er “een goede boodschap” zat aan te komen waaraan je geloof mocht hechten. In het boek dat ik momenteel lees (Henk Bakker, Jezus, Reconstructie en revisie Kok, Utrecht, 2020) wordt gesproken van een deltagebied aan Joodse verwachtingen. Een overkoepelende verwachting was dat de redding van de Joden was. Redding zou gestalte krijgen in een nieuwe David, een andere Mozes, een Elia teruggekeerd, een priesterlijke Knecht zoals Jesaja hem voorzag, of een priester-koning naar de wijze van Melchisedek, of een Mensenzoon naar Daniëls model. Inderdaad, een delta aan verwachtingen die allemaal min of meer op Jezus toegepast konden worden. Min of meer.

In Hebreeën is het ongetwijfeld meer. Bij Hebreeën zoomen we uit en gaan we het grote plaatje zien. Daar is Jezus (de profeet uit Nazaret die langs het meer van Galilea wandelt en zijn makkers oproept te gaan stappen naar het koninkrijk van God), daar is Jezus de Eerstgeborene geworden die door God opnieuw de wereld wordt binnengeleid. Ik citeer het grandiose begin van Hebreeën, we kunnen ons niet genoeg verwonderen over de grandioosheid van die visie:

“Nadat God vroeger al vele malen en op velerlei wiize tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu op het einde van de dagen, tot ons gesproken door de Zoon, die Hij tot erfgenaam heeft gemaakt van al wat bestaat, door wie Hij ook het heelal heeft geschapen. Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen, en Hij houdt alles in stand door zijn machtig woord. En na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, heeft Hij zich neergezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge.”

Alsjeblieft: dat hadden die vissers Simon, Andreas, Jakobus en Johannes nooit kunnen dromen dat ze verstrikt zouden raken in een droom van deze heerlijkheid en dit heelal. En wij? Ook wij zijn achter hem aangegaan, wij hebben ons laten vangen, maar het is aan ons om te bepalen in welke termen we (hem) Hem willen zien …

maandag 4 januari 2021
1Joh. 3, 22 – 4, 6 en Matteüs 4, 12 – 17.23-25

Waar zijn we? We zijn aangekomen in het prille begin van 2021, het jaar 2020 is voorbij gegaan.

In het Matteüsevangelie zijn we in het vierde hoofdstuk, nog maar aan het begin van het goede verhaal van Jezus. Eerst heeft Matteüs verteld van de herkomst van Jezus en zijn naamgeving, toen heeft hij het gehad over zijn geboorte in Betlehem, de ster en het bezoek van de magiërs, de vlucht naar Egypte, en de vestiging van het gezin in Nazaret toen de kust veilig was. Vervolgens heeft hij verteld over Johannes de Doper, en de doop van Jezus. Daarna over zijn retraite van 40 dagen in de woestijn waar hij door de duivel een aantal alternatieven kreeg voorgelegd voor zijn route door het leven. Als hij alle verlokkingen en foute keuzes heeft afgewezen begint het pas goed, we zijn dan in het vierde hoofdstuk aangekomen. Johannes – de voorloper – is gevangen gezet en Jezus moet aan de bak. Met zijn optreden gaat een profetie van Jesaja in vervulling, aldus Matteüs:

Land van Zebulon en land van Naftali,
aan de weg naar zee,
aan de overkant van de Jordaan,
Galilea van de heidenen!
Het volk dat in duisternis zit
heeft een groot licht gezien,
en over hen die in het land
en de schaduw van de dood zitten,
over hen is een groot licht opgegaan.


De evangelielezing maakt dan een sprongetje en vat samen wat Jezus gaat doen. Rondtrekken door Galilea, onderricht geven in de synagogen, zieken genezen en het volk van elke kwaal verlossen: d.w.z. de goede boodschap van het koninkrijk van God verkondigen in woorden en daden en tekenen. Heel zijn verdere evangelie, al de hoofdstukken tot en met het 28ste zijn een nadere invulling en uitwerking van die verkondiging. De allerlaatste verzen roepen op om alle volken tot leerling te maken. Dat is gebeurd, daar zijn we nu wel klaar mee.

In de tijdlijn van Jezus’ biografie zit een gat van 30 jaren: de tijd die verstrijkt van de vestiging van het gezin in Nazaret totdat Jezus zich laat dopen, de geest over zich krijgt en een licht gaat worden. Vorige week – in het oude jaar nog – heb ik gewezen op het boek van Samuel Wells waarin deze auteur nadenkt over het zogenaamde verborgen leven van Jezus in Nazaret. Wat deed Jezus daar al die jaren? De wereld verbeteren? Onze problemen oplossen? Nee, hij was gewoon onder de mensen, hij leefde een gewoon leven. Wat kunnen die jaren betekenen voor het christelijk handelen? Wells denkt dat we ons moeten bewegen van doen naar zijn.

Het is een aantrekkelijke gedachte. De wereld gaat aan ons doen ten onder, we geloven niet meer dat we onze problemen kunnen oplossen. Van doen naar zijn. Stil staan bij de zin van het leven. Vorige week zaterdag heb ik geboeid zitten kijken naar de gestreamde uitvaart van frater Wim Verschuren (20 december 1933 / 26 december 2020), u welbekend. Hij was de man die de Vincentiaanse families bijeenbracht in één grote beweging van barmhartigheid. In Vught stichtte hij het spirituele centrum Zin waar mensen bijeen komen om stil te staan bij de zin van hun werk. Voor hem was die zin niet diep verborgen, maar was die onthuld in het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Wim Verschuren wist wat de dynamiek was van de barmhartigheid: de drie-eenheid van zien, geraakt worden en in beweging komen. Deze zin is universeel, religie-overschrijdend.

Een spreker bij de uitvaartdienst vertelde de anekdote over de Vietnamese boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh (1926- ?) die in Europa enorme invloed heeft onder zinzoekers ook van christelijke huize. Hij was uitgenodigd in het centrum Zin, een ontvangstcomité stond buiten voor het klooster om hem te ontvangen. Voor het klooster midden op het grasveld stond die enorme, prachtige, oeroude beuk. Thich kwam aan, negeerde het ontvangstcomité, en liep over het grasveld naar de beuk om hem te begroeten en in grote eerbied onder haar plaats te nemen. Van doen naar zijn. Later had hij in het centrum gewandeld en daar viel zijn oog op een tekstblad dat voortdurend om zijn as wentelde: op een kant stond het woord “komen”, op de andere kant het woord “gaan” (wss in het Engels: come / go). Hij had toen een staaltje van zijn boeddhistische leer ten beste gegeven door op te merken: er is geen komen, er is geen gaan. Er is geen begin, er is geen einde. Om de beginvraag op te pakken: waar zijn we? We zijn hier, er is geen oud jaar, er is geen nieuw jaar: dit is de dag.

Wellicht heeft Jezus zijn eerste dertig jaar een soort boeddhistisch leven geleefd, onopvallend, eenvoudig en vroom, met aandacht de dingen doend die hij moest doen, zich verdiepend in de heilige schriften, schavend aan zijn godsbeeld. Gaandeweg moet hij tot verlichting zijn gekomen, zodat hij zelf een licht kon worden voor anderen. Zo is het ook met ons: we leven en sterven ons kleine leven, we zien om ons heen in barmhartigheid, worden al dan niet geraakt, doen wat we kunnen. Wij lijken op de mensen waar Jesaja het over heeft, op hen die in het land en de schaduw van de dood zitten. Voor ons is Jezus Christus het grote licht geworden, hij heeft ons een leven in liefde geleerd met God verbonden (zie 1Johannes 3, 22 – 4,6).

maandag 28 december 2020
1Joh. 1, 5 – 2, 2 en Matteüs 2, 13 – 18

Vandaag viert de kerk de Heilige Onnozele Kinderen. Ze zijn – volgens het verhaal van Matteüs – door koning Herodes vermoord: alle jongetjes van twee jaar en jonger, omdat hij zo de pasgeboren koning van de Joden te pakken zou kunnen krijgen. De kinderen worden bij traditie onnozel genoemd, ik ga dat langzamerhand een verkeerd woord vinden. De kinderen weten van niets, ze hebben er niet om gevraagd geboren te worden, ze hebben part noch deel aan politieke of godsdienstige verwikkelingen. Het zijn eerder de volwassen spelers in het hele drama die onnozel zijn: ze zouden beter moeten weten, ze zouden beter moeten handelen. Behalve onnozel zijn de kinderen ook heilig verklaard, en dat hangt samen met de verbondenheid van hun lot met de geboorte van Jezus Immanuël, God met ons. Misschien – laten we dat hopen – is het allemaal fictie, want Matteüs – alleen Matteüs – wil een profetie in vervulling doen gaan, een woord dat gezegd was door de profeet Jeremia:

In Rama werd een stem gehoord, een hevig gejammer en geklaag. Rachel jammert om haar kinderen, en ze wil niet meer getroost woorden, want ze zijn er niet meer.

Het zijn huiveringwekkende woorden die bepaald geen fictie waren in Aleppo, Jemen en tal van plaatsen waar kinderen onder de twee jaar zijn omgekomen door bombardementen van wrede koningen. Het zijn allemaal heilige kinderen, althans ze zouden ons heilig moeten zijn als de volwassenen niet zo onnozel waren om oorlog te voeren, heerschappij uit te oefenen, het monopoliespel te spelen, de weg der duisternis te bewandelen.

De contrastvloeistof wordt ons in de eerste lezing geleverd in de eerste brief van Johannes: “God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis.” Als wij onze weg in het licht gaan, dan zijn wij met elkaar verbonden, aldus Johannes. Het kerstverhaal gaat over het komen van dat licht in onze duisternis. In eerste instantie is dat licht zeer welkom, kerstmis is enorm populair, ondanks secularisatie en ontkerkelijking. Maar in tweede instantie? Na kerstmis gaat alles weer gewoon door, de wapens zwijgen nooit, kinderen worden vermoord, Rachel blijft jammeren. Wat maakt het uit of je in God gelooft? Wat voor verschil maakt Christus? Ik weet het niet. Daarom lees ik misschien zo veel boeken. Misschien zijn er theologen of filosofen die wel een antwoord hebben. Tijdgeest van Trouw van zaterdag 19 december kan daarbij behulpzaam zijn, met het beste van 2020 in een keur aan boeken. Ik noem er een paar die mijn belangstelling hebben; ik hoop ze in 2021 te lezen.

Wolter Huttinga zet op zijn topdrielijst het recente boek van theoloog Erik Borgman, Alle dingen nieuw. Korte kenschets: “Een dikke pil, barstensvol gesprekken met denkers en dichters. Je moet wel mee willen deinen op de golven van Borgmans onstuitbare, complexe gedachtenstroom. Intussen is zijn centrale punt kraakhelder: de God die zich in Jezus openbaart zit volop in de shit van deze werkelijkheid. En zal pas daar voor ons oplichten waar wij hem niet meer in onze greep hebben.”

Op de tweede plaats zet hij een boek van historicus Tom Holland, Heerschappij, hoe het christendom het westen vormde. Korte kenschets: “Een meeslepend boek dat heerlijk is geschreven. Holland laat zien hoe de geschiedenis van het christendom vormend is geweest voor vrijwel al onze moderne intuïties. Die geschiedenis is niet eenduidig, maar eerder een geniale mix van diepe paradoxen. Onderdrukkend én bevrijdend, stem van de macht én van profetische kritiek. Het is geen nieuw verhaal, maar wel erg goed verteld.”

Het derde boek op het lijstje van Wolter Huttinga is van de Engelse priester en hoogleraar ethiek Samuel Wells, Een Nazareth-manifest. Korte kenschets: “Wells besloot de eenvoud van ‘being with’ van God eens heel goed te doordenken. Wat impliceert dat voor het christelijk handelen? Heel kort gezegd: bewegen van doen naar zijn. Want wat deed Jezus daar al die jaren in Nazareth? De wereld verbeteren? Al onze problemen oplossen? Nee, God was gewoon onder de mensen.”

Als toegift geef ik u nog een vierde boek, het staat bovenaan op het lijstje van Sjoerd Mulder, eveneens een criticus die ik bewonder. Jim Forrest, Alles is genade: een biografie van Dorothy Day. Korte kenschets: “Dorothy Day (1897 – 1980) was een Amerikaanse vredesactivist. Ze deelde haar bezit met daklozen, zette zich in voor onderdrukten en stichtte de katholieke arbeidersbeweging. Het lijkt een kwestie van tijd tot Rome haar heilig verklaart. Lees haar verhaal voor die tijd, om niet uit het oog te verliezen hoe deze onconventionele heilige schuurde met kerk en samenleving.”

Als ik deze boeken uitgelezen heb, zal ik beslist een stukje minder onnozel zijn. Ook heiliger? Dat valt nog te bezien. Dan moet ik ook solidair zijn met Rachel die om haar kinderen weent, en het licht van God toelaten in mijn duisternis

maandag 21 december 2020
Hooglied 2, 8 – 14 en Lucas 1, 39 – 45

Op maandag voor kerstmis heeft de liturgie enkele kostelijke teksten. Ons fragment uit Hooglied legt de woorden in de mond van de verliefde jonge vrouw. Het lied is een afwisseling tussen een hij en een zij, met koren die commentaar geven er tussen in. Hij heeft al een schitterend statement afgegeven (1, 15):

Wat ben je mooi, mijn vriendin, wat ben je mooi; je ogen zijn duiven!

En zij laat zich aldus horen:

Hoor, daar is mijn lief! Kijk, daar komt hij aan: springend komt hij over de bergen, over de heuvels komt hij aangesneld. Mijn lief is als een gazelle, hij lijkt wel het jong van een hert.

Die prille liefde tussen een jongen en een meisje, tussen een man en een vrouw – en als een nieuwe verworvenheid mogen we toch langzamerhand wel zeggen – tussen meisje-meisje, jongen-jongen, man-man, vrouw-vrouw, is een van de mooiste vondsten van de Schepper van alle dingen. Alle volkeren en talen hebben haar bezongen; van oude tijden tot op de dag van vandaag laten singer songwriters zich inspireren door het overweldigende gevoel van verliefdheid. Het zou vreemd zijn als het in de bijbel afwezig zou zijn, en dat is het dan ook niet. Sterker: de liefdeslyriek van het Hooglied is ongeëvenaard. Het is grappig om inleiders op het boek te zien worstelen met de vraag hoe het boek geïnterpreteerd moet worden: hoog of laag, heilig of profaan, letterlijk of figuurlijk. Gaat het wel over een jongen en een meisje, of gaat het – het is bijbel nietwaar – over God en zijn uitverkoren volk Israël? Ik zou denken: het is geen kwestie van of of, maar van en en. Het loopt door elkaar heen. Maar ik ga even op de religieuze toer: dan is de “hij” dus God (met excuses aan feministische theologen die af willen van God als een Hij). Wat wordt er aansluitend op de geciteerde verzen van God gezegd? Dit:

Daar staat hij achter de muur van ons huis. Hij kijkt door het venster en tuurt door de tralies naar binnen.

Wel, wel, dat is fraai van God. God die zo’n beetje staat te gluren achter de muur van ons huis, die door tralies naar binnen tuurt. Ik kan daar wel mee leven, beter dan met een God die alles ziet.

De opgewekte, vrolijke, ja, huppelende tekst van Hooglied is vandaag gekoppeld aan het evangelie van Lucas 1, 39 - 45 … dat ook al zo blij van toon is. Twee vrouwen in blijde verwachting die dolgelukkig zijn elkaar te zien. Zoals in de tekst van Hooglied is Maria door het bergland komen aan snellen. Bij de begroeting springt het kind op in de schoot van Elisabet en daar wordt enthousiast over verteld. Er worden complimenten uitgewisseld, God wordt geloofd en geprezen, de God die diepe wensen in vervulling doet gaan ...

Lucas verhaalt in zijn eerste hoofdstuk van de geboorte van Johannes en in het tweede hoofdstuk over de geboorte van Jezus. Over enkele dagen lezen we die tekst en vieren we kerstmis. Immanuel is geboren, in principe is alles nieuw gemaakt – al zullen er nog vele hoofdstukken volgen die ons weer dichter bij de realiteit brengen, de realiteit van het menselijk tekort, de traagheid van de dingen, ellende. Maar vandaag nog niet. Vandaag stellen we ons open voor het Hooglied en laten we de woorden in onze oren klinken die ons hart sneller doet slaan:

Sta op, mijn vriendin, sta op mijn vriend, Kijk maar de winter is voorbij, De regentijd is afgelopen. Op het veld staan weer bloemen, De tijd om te zingen breekt aan, De roep van de tortelduif klinkt over het land. De vijgenboom draagt zijn eerste vruchten al, En wat ruikt de bloeiende wijnstok heerlijk!

maandag 14 december 2020
Numeri 24, 2-7.15-17a en Matteüs 21, 23 – 27

Vandaag op de feestdag van Juan de la Cruz/Johannes van het Kruis, de grote Spaanse mysticus die leefde in de tweede helft van de 16e eeuw (1542 – 1591), lezen we teksten uit Numeri en Matteüs. De samenhang zie ik in de vraag naar religiositeit: wat is religiositeit eigenlijk? Johannes van het Kruis kan ons hier iets leren, hij is per slot van rekening “kerkleraar” – een titel die hem in 1926 werd toegekend door paus Pius XI. Ik denk dat we ook bij onszelf te raden kunnen gaan, daarom bouw ik mijn beschouwing op in vier punten.

Eerst Numeri. Daar gaat het over de profeet Bileam, een profeet die ons sympathiek is vanwege zijn ezel. Die ezel zag iets wat Bileam maar niet wilde zien. Wij zijn ook vaak Bileam, dat we niet zien wat een ezel wel ziet. In onze tekst van vandaag echter ziet Bileam: hij ziet wat de Almachtige ontsluiert, hij is de man die geheimen mag zien, hij hoort God spreken. Hier hebben we een definitie van religiositeit: Gods geheimen zien en Hem horen spreken.

Gaan we ten tweede naar Matteüs. Hij ziet Jezus en hoort hem spreken. In het voorafgaande is Jezus nogal te keer gegaan in de tempel en daarom stellen de hogepriesters en de oudsten van het volk hem de vraag met welke bevoegdheid hij dat doet en wie hem die bevoegdheid heeft gegeven. Jezus beantwoordt die vraag niet, maar stelt een tegenvraag. Als die tegenvraag wordt beantwoord zal hij zelf ook antwoord geven, dat is de deal. Daar komt ie: Waar kwam de doop van Johannes vandaan? Van de hemel of van de mensen? Het is een interessante vraag, vooral als we nadenken over de vraag wat religiositeit is. Was Johannes de Doper iemand die zoals Bileam Gods geheimen had gezien, God had horen spreken? Of was Johannes de Doper iemand die iets in de markt zette waar vraag naar was, wat hem populair maakte bij de mensen; was zijn doopsel iets “van de mensen”? De hogepriesters en oudsten van het volk overleggen met elkaar in een soort strategisch beraad. Als we antwoorden “van de hemel”, dan zal hij tegen ons zeggen: waarom hebt u hem dan geen geloof geschonken. Maar als we zeggen “van de mensen”, dan hebben we de menigte te vrezen, want zij houden hem voor een profeet. Strategisch beraad, recht door zee is het niet. De uitkomst is: we weten het niet. Vervolgens trekt Jezus een lange neus naar ze: bekijk het maar, ik zeg dan ook niet waar ik mijn bevoegdheid vandaan heb. In dit fragment krijgen wij, de lezers van Matteüs, dus ook niet te horen wie Jezus zijn bevoegdheid gegeven heeft, wat zijn religieuze geloofsbrieven zijn. Hedendaagse christologie benadrukt dat – willen we Jezus begrijpen – we moeten zien dat hij een Jood is, een zoon van zijn volk, een kind van zijn tijd. Zeer waarschijnlijk was Jezus aanvankelijk een volgeling van zijn neef Johannes; de evangelisten vertellen allemaal dat hij zich door hem liet dopen. Later begon hij een eigen beweging en koos hij zijn eigen volgelingen. Jezus is – zoals wij allemaal – deels te begrijpen vanuit traditie en cultuur, deels is hij onbegrijpelijk (ook weer zoals wij allemaal) vanwege iets eigens dat uniek is. Dat eigene zou wel eens zijn relatie kunnen zijn met God die hij Vader noemde. Een tweede definitie van religiositeit: je relatie met God.

Wat leren we – mijn derde punt – van Johannes van het Kruis? Ik vind het frappant dat hij in 1926 tot kerkleraar werd verheven. De Eerste Wereldoorlog was toen nog maar kort geleden, er zou nog een hele eeuw aan verschrikkingen volgen: de Tweede Wereldoorlog, Auschwitz, in de na-oorlogse tijd oorlogen in alle werelddelen, klimaatrampen, epidemieën. Johannes van het Kruis heeft geschreven over de donkere nacht van het geloof, over godsverlatenheid en wanhoop. Onze eeuw wordt hierdoor gekenmerkt dat we Gods geheimen niet kunnen ontsluieren, dat we hem niet zien, noch horen. Hoe moet onze religiositeit er dan uitzien? Johannes schetst ons een mystieke weg: een uittocht uit jezelf. Het zelf bestaat uit het geheugen, het verstand en de wil. Welnu, dat geheugen dient leeg gemaakt te worden, evenals het verstand en de wil: dan pas is het mogelijk om in Gods armen te tuimelen, of – actief geformuleerd – om die geloofssprong te maken. Een derde omschrijving van religiositeit: de overgave, de sprong, het vertrouwen.

Nu naar mijn vierde punt: we kunnen ook te raden gaan bij ons zelf. Het leeg worden van het geheugen, van het verstand en als laatste de wil zien we in de verpleeg- en verzorgingshuizen gebeuren als een natuurlijk proces. Wil het een mystieke weg zijn dan moeten we daarop anticiperen, voorbereid zijn en het al bij voorbaat met een “ja” bezegelen. Door religieuzen is dat “ja” al lang geleden uitgesproken, dat is wat altijd “roeping” werd genoemd en het gevolg geven aan die roeping. Dat “ja” werd enerzijds verklaard door en was begrijpelijk vanuit traditie en cultuur, maar anderzijds was het toch ook iets onbegrijpelijks als een eigen, unieke beslissing: de sprong van het geloof die een mens tot religieus mens maakt. Zelf heb ik dat heel sterk ervaren toen mijn tweeling werd geboren, kansloos, en de kinderarts me vroeg: moeten ze gedoopt worden. Mijn achtergrond en opvoeding leidde naar het antwoord “ja”. Maar mijn studie filosofie én theologie en de heersende secularisatie leidde naar het antwoord “nee”. Is de doop van de hemel of van de mensen? Ik heb met die vraag de ziekenhuisgang een aantal keren op en neer gewandeld, ik nam de sprong, ik doopte mijn kinderen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Maandag na de derde zondag van de advent, zondag Gaudete, realiseer ik me opnieuw dat ik me altijd verheugd heb met die move. De vierde omschrijving van religiositeit is dus precies dit: gaudium, vreugde, dat je verheugd kunt zijn wat er ook gebeurt, wat er ook op je pad komt, ook in de donkere nacht (met dank aan Juan de la Cruz).

maandag 7 december 2020
Jesaja 35, 1 – 10 en Lucas 5, 17 – 26>

Jesaja 35, 1 – 10 is pure poëzie, ik haal enkele regels terug uit die jubelende tekst waarin de wildernis jubelt en bloeit, de woestijn en het dorre land getooid worden met de glorie van de Libanon. Nou, de woestijn en de Libanon zijn niet de beelden die ons meteen aanspreken, maar Jesaja laat ook de krokus weelderig bloeien en dat is een bloem die wij wel kennen en waarderen. De bloeiende natuur bij Jesaja straalt af op de mens die – weten we steeds beter – onderdeel is van de natuur. Zwakke handen krijgen kracht, bevende knieën worden sterk, de kreupele danst als een hert, de tong van de stomme juicht. Wie radeloos is krijgt te horen: houd moed, wees niet bang, hier is uw God.

Dat voert ons naar het evangeliefragment uit Lucas. Van Jesaja naar Jezus. De lamme die met bed en al door het dak wordt neergelaten vlak voor Jezus’ voeten krijgt inderdaad kracht in zijn knieën want hij verlaat het pand lopend; en zijn handen zijn krachtig genoeg om zelf het bed mee naar buiten te dragen. Hier wordt poëzie werkelijkheid, maar wie bewerkt het? De beantwoording van die vraag … daar is Lucas een heel evangelie mee bezig, zoals alle evangelisten trouwens. Jezus ziet het vertrouwen van de man, hij ziet het wantrouwen van farizeeën en wetsleraren. En wat zegt hij tegen de lamme? Uw zonden zijn u vergeven! De haren van de farizeeën en wetsgeleerden gaan rechtovereind staan: zonden vergeven is iets van God, wie anders dan God alleen kan zonden vergeven? Wat durft die Jezus te zeggen? Het is gewoon godslasterlijk. Lucas vertelt dat Jezus heel goed weet hoe ze denken, het is ook godslasterlijk behalve als je God bent, God uit de hoge hemel neergedaald en in het vlees van die Jezus van Nazareth geïncarneerd. Het valt me op hoe luchtig, ja hoe humoristisch Jezus om gaat met dat verwijt van godslastering; wat is makkelijker: zeggen je zonden zijn je vergeven of tegen een lamme zeggen sta op, neem je bed op en wandel? Me dunkt dat iedereen het er mee eens zal zijn, toen en nu, dat het eerste gemakkelijker is. Ja, het tweede kun je ook wel zeggen, maar dan gebeurt er niks. Maar om te onderstrepen dat hij zonden kan vergeven, dat hij die macht heeft, zegt Jezus vervolgens tegen de lamme: sta op, neem je bed op en wandel. En het gebeurt! Overigens zal hij elders zeggen dat mensen zonden mogen vergeven, zeventig maal zeven keer. Als wij het niet doen dan kun je het wel schudden. Wat je op aarde bindt zal in de hemel gebonden zijn, wat je op aarde ontbindt zal in de hemel ontbonden zijn. Dat is wel iets om over na te denken in onze geseculariseerde wereld. We hebben die macht. Maar staat het met onze macht om lammen te laten lopen? De medische technologie van vandaag kan veel, maar niet alles. Het Jesajaanse visioen is niet – of nog niet – door Jezus gerealiseerd: er zijn nog steeds blinden, doven, kreupelen, lammen, armen; er zijn nog steeds mensen radeloos. De woestijn bloeit niet, integendeel er komt steeds meer woestijn bij, de mens is bezig de aarde onherstelbaar kapot te maken.

Wat is het beeld van de mens anno 2020? Niet veel verschillend van de lamme uit het evangelie van Lucas: we zijn verlamd, we weten niet hoe het verder moet. Bruno Latour, de Franse filosoof die onlangs de Spinozalens ontving, een onderscheiding voor denkers over ethiek en samenleving, zegt dat we ons verantwoordelijk zouden moeten voelen voor ons handelen dat de aarde aan het vernietigen is; maar dat lukt niet omdat de omvang van het probleem eenvoudigweg te groot is. Hij vraagt: “Wat betekent het om moreel verantwoordelijk te zijn in deze tijd van het Antropoceen, in de tijd waarin wij het zijn die de aarde vorm geven, terwijl er geen duidelijk herkenbaar ‘wij’ is dat met die verantwoordelijkheid belast kan worden?”

Ja, een goede vraag. Het antwoord geeft hij niet, ik weet het ook niet. Laat het een vraag blijven, laten we wachten, afwachten … het is advent. We schuilen angstig bij elkaar, we kijken omhoog naar het dak van de wereld – gaat het dak open zoals in het evangelieverhaal? – , we zingen Rorate caeli, laat de wolken gerechtigheid regenen. Laten we we moed houden, laat het Kerstmis worden, laten we ons Jesaja herinneren: hier is uw God …

maandag 30 november 2020
Rom. 10, 9 – 18 en Matteüs 4, 18 – 22

Vandaag viert de kerk de apostel Andreas. Het evangeliefragment uit Matteüs is natuurlijk gekozen omdat daar zijn naam valt bij de roeping van de eerste leerlingen: Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Het zijn vissers. Jezus nodigt hen uit op om achter hem aan te gaan, en zegt hun toe dat ze omgeschoold zullen worden tot vissers van mensen. Die belofte heeft hij waargemaakt. Petrus is het hoofd geworden van de westerse, Latijnse kerk met Rome als zetel, hij heeft de mensen in het westen gevangen; Andreas is aan het hoofd komen te staan van de oosterse, Griekse kerk met als zetel Constantinopel, hij heeft de mensen in het oosten gevangen. Zo hebben de beide broers de christenheid onder elkaar verdeeld. Er is daarom iets voor te zeggen dat het christendom in principe een familiebedrijf is. Hoe zag die omscholing eruit? Het was in de leerschool van Jezus. Ze waren in zijn nabijheid, ze gingen met hem mee, ze hoorden toe toen hij zijn zes grote voordrachten ten beste gaf: 1. de bergrede, 2. de zendingsrede, 3. de parabelrede, 4. de kerkrede, 5. de rede tegen farizeese schriftgeleerden en 6. de rede over het einde. Vaak snapten ze er niets van, en vroegen ze om uitleg; dan dachten ze even dat ze het begrepen. Ze zagen hoe Jezus zieken genas, de menigte te eten gaf, stormen tot bedaren bracht. Ze kregen een spoedcursus lijden en sterven, want op het laatst ging het erg snel: daar hing hun vriend en leraar aan het kruis! Vervolgens hadden ze echt wel de geest nodig om onderling met elkaar in het reine te komen over een paar heel grote vragen: wat was er nu gebeurd met die Jezus die hun uitgenodigd had om achter hem aan te gaan? Wat betekende het voor hen en hoe moesten ze verder? Wie was hij eigenlijk, en hoe moesten ze dat onder woorden brengen? Andreas valt in het evangelie van Matteüs weg in de anonimiteit van de groep, heel anders dan haantje de voorste grote broer Petrus. Andreas is er niet bij als Jezus op de berg Tabor Mozes en Elia ontmoet, het verhaal van de gedaanteverandering, waar Jezus’ gezicht gaat stralen als de zon en zijn kleren wit worden als licht. Voor deze ervaring c.q. scholing had Jezus Petrus, Jakobus en Johannes meegenomen, Andreas niet. Andreas is ook niet bij de selecte groep die hij met zich meeneemt verder de hof van Getsemane in om te bidden. Dat selecte groepje bestaat uit Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, Jakobus en Johannes. Niet dat zij een glansrol vervullen want ze vallen telkens in slaap. In het evangelie van Johannes wordt Andreas vermeld in hoofdstuk 12 vers 22. Er zijn Griekse pelgrims in Jeruzalem die Jezus willen ontmoeten. Filippus heeft dit opgevangen en bespreekt dit met Andreas; samen gaan ze naar Jezus om het aan hem voor te leggen. Wellicht had Andreas Grieks geleerd? Jezus laat het verzoek liggen, hij heeft andere dingen aan zijn hoofd. Misschien heeft Andreas gedacht: hier moet ik nog wat mee doen. Zo werd hij de apostel van de Grieks en Slavisch sprekende volkeren. Wat we verder weten van Andreas zijn legendes en buitenbijbelse verhalen. Zo over zijn kruisdood. Toen hij ook tot de kruisdood werd veroordeeld, was hij zo bescheiden dat hij niet in dezelfde iconografie van zijn vriend en leraar wilde treden. Dat heeft ons het Andreaskruis opgeleverd, de x-vorm waaraan Andreas met touwen werd vastgebonden. Volgens een legende bleef Andreas gedurende twee volle dagen aan het kruis hangen, terwijl hij bemoedigende woorden sprak tot de toegestroomde menigte die wel uit twintigduizend personen bestond. Op de derde dag kwam het volk in opstand omdat het onverdraaglijk was om een goed en zachtmoedig mens zo te laten lijden. Een mooi verhaal, vooral die opstand van het volk op de derde dag. Waar doet ons dat aan denken? Hagios Andreas, visser van mensen, vandaag laat ik me door jou vangen …

maandag 23 november 2020
Apok. 154, 1 – 3.4b – 5 en Lucas 21, 1- 4

In slechts luttele verzen schildert Lucas ons een prachtig tafereel: een arme weduwe die een paar muntjes in de offerkist stopt, terwijl de rijken met grote gebaren – kijk mij eens – hun grote gaven deponeren. Jezus zegt daarvan: die arme weduwe heeft er méér in gegooid dan alle anderen. Want allen gooiden er iets in van hun overvloed, maar zij offerde van haar armoede alles wat ze heeft om van te leven.

Ik heb laatst een originele toepassing gehoord van dit evangelische tafereel. In Ierland klagen pastoors over het verschijnsel dat hun mis en hun preek al op de sociale media worden besproken, c.q. afgekraakt terwijl de mis nog aan de gang is, terwijl de preek nog niet is afgelopen. Hoe kan dat? Dat kan omdat de mis in deze coronatijd online is, gestreamd wordt. Mensen zappen vanuit hun luie stoel van de ene mis naar de andere, en zoals ze gewend zijn posten ze meteen hun opmerkingen. Masshoppers worden ze al genoemd, een variant op het woord grasshoppers (sprinkhanen). Die arme pastoors; ze weten ook wel dat ze armoedig preken, dat ze er niet uitzien, dat er heel wat valt aan te merken op hun voordracht of op hun kapsel. Nu luisterde ik naar een Engelse vrouwelijke priester die medelijden had met deze Ierse pastoors en zei: ze moeten maar denken aan het evangelie van de arme weduwe. Ze doen hun best, ze geven het beste wat ze in huis hebben, en worden daarvoor door Jezus geprezen.

Een tweede toepassing van de arme weduwe zie ik in het verhaal van Barack Obama die onlangs het eerste deel van zijn biografie heeft doen verschijnen onder de bijbels aandoende titel: A Promised Land (Een beloofd land). Daarin vertelt de voormalige president van de VS, acht jaar lang de machtigste man van de wereld, dat hij maar weinig heeft kunnen klaarspelen, dat hij wel anders wilde maar de ruimte niet kreeg, en vooral tegengewerkt werd door de Senaat waar de republikeinen de meerderheid hadden. In Nederlandse verhoudingen kennen we “de smalle marges van de politiek”. Obama had zijn uiterste best gedaan, hij had alles gegeven wat hij aan talenten en inspiratie in huis had, maar achteraf gezien zijn het maar een paar muntjes, hij is als de arme weduwe. En wat heel erg is: zijn presidentschap heeft als het ware Trump opgeroepen, de man die juist veel klaar krijg in de destructieve zin.

Een derde toepassing van het verhaaltje van Lucas zie ik in Jezus zelf. In die arme weduwe herkent hij zichzelf, zijn eigen optreden, zijn eigen effect. Hij gaf alles wat hij had om van te leven, hij gaf zich zelf, hij gaf zijn leven. En waar liep het op uit? Op Kruisigem, op de klacht van de gekruisigde: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten (Matt. 27, 46)? Het effect was de kerk en de echtscheiding met Israël, het volk waar Jezus uit voortkwam. Hem stond geen afsplitsing van Israël voor ogen, integendeel het ging hem om heil voor het geheel van zijn volk (zie Henk Bakker, Jezus, 2020, waarin hij deze christologie van Schillebeeeckx bespreekt – blz. 58). Een ander effect van Jezus’ leven en de verspreiding van zijn leer over heel de wereld, inzonderheid Arabië, is de geboorte van de islam, een nakomertje in de Abrahamitische familie in de zevende eeuw van onze jaartelling. Met dit jongste familielid weten we ons (joden en christenen) ook al geen raad. Hoe moeten joden, christenen en moslims in godsnaam in vrede met elkaar omgaan tot heil van onze planeet? Dat weet niemand. Wie het wel weet is als de arme weduwe die een paar muntjes in de schaal werpt, het is van weinig gewicht.

Nog een vierde toepassing dan. Herkennen we ons niet zélf in het beeld van de arme weduwe, spiritueel gezien? De bruidegom is gestorven, hij zit aan de rechterhand van de Vader; wij voelen ons hier op aarde alleen, verweesd, ontheemd, vervreemd, desolaat. Tegenover de machten en de krachten van deze wereld voelen we ons hulpeloos en hopeloos, we kunnen niet veel, we hebben niet veel, we zijn echt arm. Wat hebben we in te brengen? Het is zo weinig! En toch is de blijde boodschap dat de afwezige bruidegom dat weinige weet te waarderen, het zelfs genoeg vindt: meer dan genoeg. Het effect van Lucas’ verhaaltje is dat we opgelucht adem kunnen halen.

maandag 16 november 2020
Apok. 1, 1 – 4 + 2, 1 en Lucas 18, 35 – 43

Een goede titel is een korte samenvatting. Boven het verhaal van vandaag staat: genezing van een blinde bij Jericho. Je zou kunnen zeggen: dat is een goede samenvatting, het is bijna het hele verhaal, alleen kop en staart ontbreken nog. Maar goed, ik zal het in mijn woorden navertellen, wat dan meteen een interpretatie is.

In de buurt van Jericho zit een blinde langs de weg te bedelen. Hij hoort kennelijk ongewoon veel mensen voorbij komen, zodat hij vraagt: wat is er loos? Jezus de Nazoreeër komt langs, zoiets als de intocht van Sinterklaas toen dat nog kon. De blinde is weliswaar blind, maar hij weet genoeg; kennelijk heeft hij van Jezus gehoord en van de faam die er van hem uitgaat. Want onmiddellijk begint hij naar die man uit Nazareth te roepen: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij. Degenen die voorop lopen snauwen hem toe dat hij zijn mond moet houden, wat een kwalijk licht werpt op mensen die voorop lopen; ik weet natuurlijk niet of Lucas dat bedoelt. Maar hij laat zich de mond niet snoeren; wat deze blinde bedelaar herkenbaar maakt als een personage van onze tijd. Nogmaals roept hij naar Jezus, nog harder dan te voren: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij. Zoon van David is een messiaanse titel, in die titel klinkt het verwachtingspatroon door, de onuitroeibare hoop van het volk van Israël. Jezus hoort het, blijft staan en vraagt om de man bij hem te brengen. Vervolgens vraagt hij op welke wijze medelijden zou kunnen werken voor de man die naar hem geroepen heeft. De blinde antwoordt: dat ik weer kan zien, Heer, wat nauwelijks verrassend genoemd kan worden. Wel verrassend vind ik dat Jezus dan zegt: Kijk Me aan, je vertrouwen is je redding. Ik zie hier twee elementen in het genezingsproces, en beide elementen moeten gedaan worden door de blinde. Jezus doet eigenlijk niets anders dan een uitnodigen én constateren. De constatering is dat de blinde vertrouwen heeft, en de uitnodiging is paradoxaler wijze dat de blinde hem moet aankijken. Hoe kun je iemand aankijken als je blind bent? Het aankijken van Jezus (inclusief het vertrouwen) leiden tot de genezing. Meteen kan hij weer zien, halleluja, en hij volgt Jezus op die weg naar Jericho, hij verheerlijkt God en het volk – inclusief die snauwers neem ik aan – sluiten zich bij die lofzang aan.

Hoe moeten we dit verhaal begrijpen? Die vraag moet je toch nog stellen, want hier hebben we weer een van die vele ongelooflijke verhalen waar het evangelie vol van zit. Voor een antwoord sluit ik me aan bij de column van Welmoed Vlieger in Trouw, dinsdag 3 november 2020. Ze zegt dat je de werkelijkheid op twee manieren kunt zien. De ene is de wereld zien als dingen waarmee je iets kunt doen, de andere is de werkelijkheid verstaan als gave en opgave. Voor ons genezingsverhaal vind ik dit onderscheid verhelderend. In een wereld waarin je dingen kunt doen stuur je de blinde naar een oogpoli, na de diagnose wellicht naar de oogchirurg, of naar de apotheek voor oogdruppels. Dat gebeurt in het evangelie niet. De uitnodiging is om de werkelijkheid als gave te zien, als een door God gegeven werkelijkheid: kijk mij aan, heb vertrouwen. Vaak is er niets aan te doen. Ik geef u het slot van Welmoed Vliegers beschouwing:

“Wij zijn maar kleine en beperkte mensen, en overzien het geheel niet. Maar dat betekent niet dat we met lege handen staan. Wat we wel kunnen, is opstaan tegen de numerieke naamloosheid van de massa en oog krijgen voor de concrete mens en zijn bestaan – de mens als enkeling. Dat zie je bij Dostojevski, dat zie je in het evangelie. Christus ging niet in op vragen over het leed in het algemeen, maar lenigde het concreet en zegt dan bovendien: Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Dat is me nogal een antwoord ( ). Liefde is toch wat de werkelijkheid uiteindelijk draagt, met aan ons de opdracht om die, inderdaad als gave, door te vertalen in onze omgang met de natuur en mensen. Niet als een stem van het massaal anonieme, maar als deze concrete mens die ik ben.”

Heel goed, Welmoed. Wij zijn allemaal blinde bedelaars langs de weg, we bedelen om het te zien, om te zien dat de werkelijkheid een gave is, een door God gegeven gave. Een God die liefde is. Voor christenen en aspirant christenen geldt daarbij dat we het zien als we de man uit Nazareth aankijken ….

maandag 9 november 2020
Ez. 47, 1-2.8-9.12 en Joh. 2, 13 – 22

In het evangelie van Johannes zien we een verrassend staaltje van religieuze razernij bij Jezus, razernij die we tegenwoordig vooral zien bij jonge moslimfanatici waarvoor we zeer beducht zijn. Als de vermeende eer van Allah of de Profeet gekrenkt wordt zijn ze tot alles in staat, moord, doodsteek en onthoofding, ik hoef de recente voorbeelden niet op te noemen.

De woede van Jezus wordt opgewekt door wat hij ziet gebeuren in de tempel, het huis van God: daar is de verkoop gaande van runderen, schapen en duiven en er is een soort filiaal van de Boerenleenbank. Jezus knoopt touwen aaneen tot een zweep en jaagt ze allemaal de tempel uit, schapen en runderen erbij; de tafels van de geldwisselaars gooit hij met geld en al omver, en tegen de duivenverkopers zegt hij: “Weg ermee! Maak van het huis van mijn Vader geen markt!” Dit optreden heeft grote indruk gemaakt, want behalve Johannes hebben de drie synoptici Mattheüs, Marcus en Lukas het verhaal ook. Het is opvallend hoe terughoudend en beschaafd de reactie van de tempelautoriteiten is. Het lijkt veel op het oer-Nederlandse “in gesprek blijven”. Ze roepen geen handhavers, boa’s of politie erbij, maar stellen Jezus de vraag: waarom denkt u zo te mogen optreden? De leerlingen hebben Jezus’ razernij intussen kunnen plaatsen door te denken aan psalm 69,10: De ijver voor uw huis zal Mij verteren.

Kijken we ook naar de verhalen van de drie synoptici. Mattheüs vertelt dat Jezus alle mensen in de tempel die kopen en verkopen weg jaagt, hij gooit de tafels van de geldwisselaars om ver, zo ook de stoelen van de duivenverkopers. Hier geen touwen die tot zweep gevlochten worden, ook geen schapen en runderen die we bij Johannes vinden. Waarom hij het doet zegt hij nu zelf met een woord uit Zacharias 14, 21: “Er staat geschreven: mijn huis zal een huis van gebed heten, maar u maakt er een rovershol van.” Marcus heeft nagenoeg dezelfde tekst als Mattheüs – dat is niet zo gek, want Marcus schreef eerder en Mattheüs baseerde zich deels op Marcus. Er is een klein verschil in zoverre bij hem niet alleen de handel geraakt wordt, maar ook de transportsector. Marcus 11, 16 geeft immers: en hij liet niet toe dat iemand iets vervoerde over het tempelplein. Ook bij Marcus motiveert Jezus zelf zijn handelen: Hij leerde hun: “Er staat toch geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed heten voor alle volken? Maar u hebt er een rovershol van gemaakt.” Nu komt het citaat uit Jesaja 56, 7; het woord rovershol komt uit Jeremia 7, 11. Ten slotte Lucas: hij heeft de meest sobere versie. In twee verzen heeft hij het hele verhaal verteld: Hij ging de tempel binnen en begon de kooplui te verjagen. Hij zei tegen hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed zijn, maar u hebt er een rovershol van gemaakt. Dat is alles, al is het verjagen van kooplui natuurlijk ook niet mis.

Maar wat moeten wij ermee, met deze vier versies van de zogenaamde tempelreiniging? Op de eerste plaats moeten we maar proberen het handelen van Jezus te begrijpen. Dat lukt het best als we het zien als een profetische symboolhandeling. Je kunt Jezus zien als de eindtijdelijke profeet, de profeet van de eindtijd die het visioen van Ezechiël belichaamt, Ezechiël die in de eerste lezing wordt voorgelezen. Ik herhaal het laatste vers (Ez. 47, 12): “Aan beide oevers van de rivier groeien allerlei vruchtbomen; hun bladeren verdorren niet en ze zijn nooit zonder vruchten. Elke maand dragen ze vruchten, omdat het water dat ze voedt uit het heiligdom komt. De vruchten zijn eetbaar en de bladeren hebben geneeskracht.” Dit is wat Jezus voor ogen staat. Het huis van gebed voor alle volken, een huis dat de schenker is van alle goodies; het levengevende water geeft vruchtbaarheid aan de bomen voor een compleet vegetarische levenswijze; koeien en schapen hoeven niet meer verhandeld, geslacht en gegeten te worden. De duiven mogen vrij rondfladderen. Mamon, wie denkt nog aan geld? De bladeren van die bomen genezen op een natuurlijke wijze. Dit is het leven zoals door God bedoeld, maar dat ergens onderweg verkeerd is gegaan. Op de weg van Jezus wordt dit leven in principe weer hersteld. Vanuit het huis van gebed wordt heel dat goede leven gevoed en bezield. Wij vinden dat misschien moeilijk om te geloven; wat is de realiteitswaarde van dit soort gedachtes? Is het niet eerder een soort droom? Maar is er verschil tussen geloven en dromen? Ik probeer maar wat: is geloven niet dromen met open ogen? Zeg het maar ….

maandag 2 november 2020, Allerzielen
Vandaag geen preek, maar een artikel.
(verschenen in Goirles Belang 4 november 2020)

Stil jubileum van 40 jaar stichting begraafplaatsen Goirle
“De begraafplaatsen liggen er prachtig bij, en dat moet ook”

Op een bijzonder fraaie dag in oktober, vlak voor Allerheiligen en Allerzielen, wandelt Guus de Haas over de begraafplaatsen Sint Jan en Maria Boodschap. In een bijzonder fraai artikel beschrijft hij die wandeling, en roept hij de lezer op hetzelfde te doen en stil te staan. Ik lees dit in het boek dat in 2005 uitkwam: “De Laatste Eer, De begraafplaatsen in Goirle door de tijden heen”, uitgegeven door de Stichting Begraafplaatsen Goirle. In hoofdstuk VII “Langs de paden der vergankelijkheid” vertelt Guus hoe hij stil staat bij de graven van mensen die hij wel of niet gekend heeft, van alle rangen en standen; hij leest de opschriften, bewondert de beelden en symbolen en mijmert … Ik deed hetzelfde, hieronder doe ik verslag.

Kerkhof Maria Boodschap
Dichtbij beginnen, eerst het kerkhof van de Maria Boodschap. Je hoeft maar even over het middenpad heen en weer te wandelen om het te zien: het ligt er prachtig bij. Aan het eind van het pad ligt de kapel die er in 2005 nog niet was. Een plaquette vermeldt dat deze kapel tot stand kwam dank zij de bijdragen van de parochianen aan de stichting vrienden van de kerk Maria Boodschap; op 15 oktober 2011 werd de kapel ingezegend. Het in schoon metselwerk opgetrokken gebouwtje is een waardevolle toevoeging aan de begraafplaats, het is goed toeven in de kleine ruimte met het beeld van Maria-met-kind, je kunt er een kaarsje opsteken.

Dan, zoals aanbevolen door Guus de Haas, dwalen langs de graven, een melancholiek feest der herkenning, soms een verrassing als het heengaan van een bekende je was ontgaan. Ja, die opschriften, ja die ontwikkeling van super vroom naar seculier, die mooie details. Ik maak een foto met de Maria Boodschap op de achtergrond. Eigenlijk is het geen “kerkhof” meer, maar moet je “begraafplaats” zeggen. Wanneer komen nu eindelijk eens die appartementen in de gerestaureerde ruïne? Waarom duurt alles zo vreselijk lang in dit land? Is dit een mijmering die op de plaats van eeuwige rust wellicht ongepast is?

Begraafplaats Sint Jan
Dan naar de begraafplaats Sin Jan. Ook hier is de eerste (en tweede) indruk: het ligt er prachtig bij. Wie ik hoop aan te treffen, vind ik al na een minuut: Kees van Rooij (70). Ik maak hem een compliment met de staat waarin de twee begraafplaatsen zich bevinden. Het mag op zijn conto geschreven worden, Kees die er elke dag aan het werk is met een ploegje andere vrijwilligers. Hij ontvangt het compliment met een glimlach en zegt: ja, maar dat moet ook, hè Ben. Ik vraag hem welke begraafplaats zijn voorkeur heeft, maar een voorkeur heeft hij niet. Wel is hij veel meer op de Sint Jan, want die is vier of vijf keer zo groot: “er is hier altijd werk te doen”. Nee, zelf de graven delven doet hij niet meer, want het bestuur van de stichting wil zuinig omgaan met de vrijwilligers: een graafmachine doet het sinds een jaar (“ik kan het nog wel, hoor”). Ik zie Kees ook vroeg op de zondagmorgen op de fiets, hij zal toch niet op zondag werken? Nee, dan maakt hij alleen de poort open.

Ook hier dwaal ik rond. Ik zie dat de familie van Puijenbroek de oude ruïneuze stenen en tomben verwijderd heeft en nieuwe grafmonumenten heeft geplaatst; die gaan zeker weer een eeuw mee. Zo blijven de namen in herinnering. Ik sta stil bij het monument voor het doodgeboren kind (door Riet van der Louw-van Boxtel), in 2005 ingezegend door Paul Janssen. Het was een van zijn laatste daden als pastoor voordat hij uit Goirle vertrok en naar Deurne ging. Ik bezoek het graf van Piet Wiercx (1932 – 2009) een van de redactieleden van De Laatste eer. Zo ook het graf van Jef Hoogendoorn (1951 – 2018) die ook meewerkte aan het boek. Ik denk aan Piet Brock, Willem van de Vrande, Louis Doomernik, Wil Sterenborg, allen medewerkers aan het boek; ze zijn er niet meer. Kees van Rooij aarzelt geen moment als ik vraag waar Jef Hoogendoorn ligt: hij kent elk graf. De wandeling en de mijmeringen, het is een heilzame ervaring. Ik kan het ieder aanbevelen. Het is in tijden van hele en halve lockdown goed te doen.

Joop Daamen
In 2005 werd De Laatste Eer uitgegeven ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Stichting Begraafplaatsen Goirle, 15 jaar geleden. Een eenvoudige rekensom leert dat de stichting dit jaar dus 40 jaar bestaat. Ik pleeg een telefoontje naar Joop Daamen (82), destijds voorzitter van de stichting en dat is hij nog steeds. Een beetje beschaamd geeft hij toe dat “ze” er niet aan gedacht hebben. Door de corona is het bestuur dit jaar nog niet bijeen geweest, vandaar misschien. Hij is blij dat ik er aandacht aan wil besteden. Ik complimenteer hem ook met de staat van de begraafplaatsen. Hij ontvangt het dankbaar en zegt dat veel mensen dit opmerken. Dankzij Kees van Rooij, zegt ook Joop, en zijn ploegje aan vrijwilligers. “Kees is de verbindende factor.” Het gaat goed met de stichting, de financiën zijn gezond. Hij schat zo’n 50 à 60 begrafenissen over de twee locaties per jaar, bijzettingen van urnen meegerekend. Een rustig beeld dus; er zijn tegenwoordig veel crematies, en de natuurbegraafplaatsen zijn in trek. Het bestuur bestaat uit Joop Daamen (voorzitter), Frans Lenaerts (penningmeester), Toos van Loenen (secretaris), Rob Suurmeijer (lid – jurist), Helen van der Schoot (lid). Nu we elkaar toch aan de lijn hebben: dit bestuur kijkt uit naar verjonging. Joop ziet t.z.t. uit naar een opvolger, ook een nieuwe penningmeester zou zeer gewenst zijn. Ik geef het maar door. Nog een mededeling van het bestuur: wegens de corona gaat de lichtjesavond dit jaar helaas niet door.

Ik vraag naar het boek dat in 2005 werd uitgegeven: is dat nog in de handel, ligt er nog een voorraadje onverkocht? Niet dus, het is destijds snel uitverkocht. Wie het toch wil lezen moet het in de bibliotheek zoeken. Ja, het was een prachtige uitgave, beaamt Joop Daamen. Zou het geen idee zijn om een tweede druk van het boek uit te brengen? Omdat de stichting 40 jaar bestaat? Ik leg het niet aan Joop voor maar bedenk het achteraf. Voor al die mensen die het in de kast hebben: haal het uit de kast en herlees, het heeft aan actualiteit niets verloren. Maar ga vooral wandelen en mijmeren, volgens de methode De Haas …

maandag 26 oktober 2020
Lezing: Efeziërs 4, 32 – 5, 8 en Lucas 13, 10 – 17

In Trouw van zaterdag 17 oktober staat een hartekreet van Samuel Lee richting de kerken om lhbt’ers niet de deur te wijzen of proberen ze te veranderen, maar hen onvoorwaardelijk te accepteren. Hij is diep geraakt door het leed dat kerken homoseksuelen hebben aangedaan, en nog aandoen hier en daar; hij vindt het de hoogste tijd om schuld te belijden en vergiffenis te vragen. Samuel Lee is nog een paar dagen Theoloog des Vaderlands dan draagt hij de titel over aan een ander. Lee is voorganger van een onafhankelijke pinksterkerk in de Amsterdamse Bijlmer, en docent theologie van migratie aan de VU. Met zijn pleidooi steekt hij zijn nek uit, want in de pinkster- en evangelische kerken ligt dit zoals het heet “gevoelig”. Ook de RKK is in dezen bepaald nog niet zonder zonde, al is paus Franciscus op de goede Weg nu hij een samenlevingscontract voor homo’s bepleit in een documentaire.

Eerst even over het begrip theoloog des vaderlands. Aanvankelijk kenden we alleen het begrip vader des vaderlands: Willem van Oranje / Willem de Zwijger (1533-1584) – een bijnaam die bepaald niet meer afstraalt op het volk dat hem zogenaamd als vader beschouwt. Sinds een jaar of 18 zijn er steeds meer “des vaderlands”-titels bijgekomen, ik noem denker des vaderlands, dichter des vaderlands, componist des vaderlands, fotograaf des vaderlands. Maar wat heeft dat te maken met het Lucasevangelie van vandaag? Met die vrouw die al 18 jaar lijdt onder een geest die haar ziek maakt, die haar krom doet lopen, zodat ze niet in staat is zich op te richten en haar rug te rechten? Niets misschien, behalve dan dat ik denk dat Jezus destijds beslist de titel theoloog des vaderlands verdiend zou hebben. Hij ziet die vrouw met haar lijden, zoals opgemerkt wordt door de meest vrouwvriendelijke van de evangelisten Lucas. Hij raakt haar aan, een taboe doorbrekend gebaar, maar waar hij echt zijn nek mee uitsteekt is dat hij haar op sabbat geneest. Sabbat is heilig, op sabbat verricht je geen geneeskundige handelingen. De ergernis van de leider van de synagoge waar het zich afspeelt, richt zich op de aanwezige menigte: laat je op een andere dag genezen. Er zijn zes dagen om te werken, kom dus op die dagen om je te laten genezen en niet als het sabbat is. Huichelaar, bijt Jezus hem toe. “Moet deze dochter van Abraham dan op sabbat niet losgemaakt worden van de boeien waarmee satan haar al achttien jaar geleden heeft vastgebonden?” Hier zien we de theoloog die Jezus is aan het werk. Hij ziet in die vrouw een dochter van Abraham; Abraham – hier hebben we nog zo’n titel – wordt de vader van alle gelovigen genoemd. Satan is een theologische term, het is de naam van de duivel, d.w.z. alles wat van God afleidt, alles wat Gods goede schepping corrumpeert, alles wat ziekmakend is voor de mens, man en vrouw, lhbti, minachting, discriminatie, uitsluiting of nog erger. De glorie van God is de mens met een rechte rug, broeders vrij en opgericht, zingt het lied, alleluja. En dit lied mag alle zeven dagen van de week gezongen worden, ja vooral op de sabbat, vooral op zondag de dag des Heren.

Jezus geneest de vrouw, ze gaat rechtop staan zoals de dappere vrouwen in Minsk, Belarus, opstaan en week in week uit demonstreren. Ze looft God. Maar zei ik dat Jezus destijds de titel theoloog des vaderlands verdiend zou hebben? Die titel zou hij nog steeds verdienen, ook anno 2020 zou er voor Jezus nog heel wat werk te doen zijn om verkeerde godsbeelden op te ruimen, foute kerkelijke praktijken aan de kaak te stellen, religieuze leiders als huichelaars te bestempelen. Hij zou samenwerking zoeken met denkers en dichters, componisten en fotografen en alle mensen van goede wil. Hij zou zijn geest verspreiden over de sociale media, steeds in de naam van de Vader, de schepper van hemel en aarde ….

maandag 19 oktober 2020
Lezing: Efeziërs 2, 1 – 10 en Lucas 12, 13 – 21

“Pas op voor iedere vorm van hebzucht! Ook al heeft een mens nog zo veel, zijn leven bezit hij niet.” Het is een waarheid als een koe, we hebben er niet eens het gezag van Jezus voor nodig om daarvan overtuigd te zijn. Je bent niet de bezitter van je leven.

Maar je kunt je wel degelijk de bezitter wanen van je leventje. In het vervolg van de evangelietekst krijgen we daar een uitgetekend voorbeeld van in de man die goed geboerd heeft, zijn schaapjes op het droge – of in meer hedendaagse beelden: die zijn ICT-bedrijf voor miljoenen verkocht heeft aan een grote jongen en die nu binnen is. De woorden van het evangelie doen verrassend modern aan: “Ik zal tegen mezelf zeggen: je hebt daar nu heel wat liggen, jongen, je kunt jaren vooruit. Rust nu maar eens uit, eet, drink en neem het ervan.” Die jongen en dat meisje zijn in onze maatschappij de winnaars van de ratrace, ze zijn geslaagd, zij hebben succes, ze zijn jong en energiek met strakke, perfecte lijven of ze zijn oud maar nog kras en een flink pensioen en geld zat. Zij hebben een goed leven, ze gaan drie, vier keer per jaar op vakantie, ze gaan naar feesten en festivals, ze gaan uit hun dak met alcohol en partydrugs, ze gaan naar restaurants, ze drinken in het weekend met hun vrienden bier in het café, ze maken een cruisetocht of naar hun tweede huis in Spanje. Dit is het leventje. Van dat leventje kun je je de bezitter wanen. Als Jezus zegt dat niemand zijn leven bezit toont hij dat aan door even in de huid van God te kruipen. “Maar God zei tegen hem: ‘Jij dwaas, nog deze nacht wordt je leven opgeëist, en voor wie zijn dan al die voorraden die je hebt aangelegd?’ En de moraal van zijn parabel is: “Zo vergaat het iemand die rijke schatten verzamelt voor zich zelf en niet voor God.”

Hmm, ja, in principe wel, maar dat is in de praktijk lang niet altijd het geval. God wordt in onze geseculariseerde samenleving niet meer als actor gezien. Wie het leventje afpakt is een virus, het coronavirus, die een wereldwijde pandemie veroorzaakt met de ziekte Covid-19. Het ziet er naar uit dat het virus enkel bestreden kan worden door dat leuke leventje tussen haakjes te zetten: cafés en restaurants dicht, theaters en festivals verboden, voetbal zonder publiek, reisbewegingen beperken tot het strikt noodzakelijke, mondkapjes op in de binnenruimte. Het is de tweede lockdown dit jaar en psychiaters (de nieuwe priesters in de geseculariseerde maatschappij) houden hun hart vast: laten de bezitters van het leventje zich dat leventje afpakken? Wat doet dat met hun psychische gezondheid? Hoe houden ze dat vol? Wat is het perspectief? Is er wel een perspectief behalve dat het misschien nooit meer zal worden zoals het was? De grote vraag die op iedereen drukt, aldus Damiaan Denys, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Amsterdam, is: waar gaat dit naar toe? We kunnen ons geen beeld vormen van de toekomst. Hij zegt: vergeet het maar als je denkt dat we ooit weer zullen vliegen en snacken en feesten zoals we gewoon waren. Maar een beloning kun je ook vinden in een ander perspectief kiezen en je gedrag veranderen: minder individualistisch geluk najagen en maatschappelijker worden, wel contacten aanhouden, maar dan meer als intensere vriendschappen in kleinere kring, meer in de natuur verkeren” (NRC 17 oktober 2020).

Ik ben het met hem eens. Perspectief is hier het grote woord, en ander gedrag. De kerk van Christus weet hier al 2000 jaar heel veel van. Metanoia, omkering, bekering. Voor christendom is het niet nodig om je vast te klampen aan het oude wereldbeeld, levensvreugde op te schorten, alles opzij te zetten voor het hierna. Je vastklampen aan een wereldbeeld is ook een vorm van hebzucht, en Jezus waarschuwt tegen elke vorm van hebzucht. Is het christelijk perspectief dan niet: het hiernamaals? God in de hemel? Nee, het perspectief is: Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Het perspectief is: Heden is het Schriftwoord vervuld. Het perspectief JHWH, de onuitsprekelijke godsnaam: Ik zal er zijn. Het perspectief is Fratelli Tutti, de nieuwste encycliek van de paus, we zijn allen broers/zusters. Het perspectief is vervat in de woorden van het Onze Vader: geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben.

maandag 12 oktober 2020
Lezing: Galaten 4, 22-24.26-27.31 – 5,1 en Lucas 11, 29 – 32

In het korte evangeliefragment gaat het over “het teken van Jona”. Wat is dat teken? We worden deze keer niet geholpen vanuit de eerste lezing met het verhaal uit het boek Jona waar Jezus naar verwijst, maar het is bekend genoeg. Het was – of misschien is – een favoriet verhaal in het godsdienstonderwijs op de basisschool, met prachtige illustraties erbij. Het sprookjesachtige verhaal van die aandoenlijke Jona op de vlucht voor God; tijdens een vreselijke storm wordt hij overboord gekieperd door zijn medeopvarenden, vervolgens opgeslokt door een grote vis; hij verblijft drie dagen in de maag van die vis, en wordt dan uitgespuwd op het strand.

Een prachtig verhaal? Als verhaal misschien wel, maar ik geef het je te doen om in de maag van een vis te zitten. Als we dit verhaal uit zijn letterlijkheid halen, komen we uit bij de hedendaagse bubbel. Mensen verblijven tegenwoordig in allerlei soorten bubbels, afgesloten of afgezonderd van de grote gemeenschap. Een speciale bubbel is de bubbel van verdriet, ook in alle soorten en formaten. Ik denk aan mensen die de boodschap hebben gekregen dat ze kanker hebben, dat ze ongeneeslijk ziek zijn, dat ze niet lang meer hebben. Het plaatst hen in een bubbel waarin zij zich buitengesloten voelen van het goede leven van onbezorgdheid, perspectief, plannen, het gekoesterde leven met hun dierbaren dat eindeloos door mag gaan. Zij voelen zich als in de maag van de grote vis, als Jona. Hoe kom je daar uit, hoe mag je hopen dat je uitgespuwd wordt op een strand van innerlijke vrede?

Zo kwam ik op mijn ochtendwandeling een buurtgenoot tegen – een wat formele man die een deftig beroep heeft uitgeoefend – die me weken geleden vertelde dat zijn vrouw kanker had en dat hun leven op z’n kop stond. Ik vroeg hem nu hoe het met zijn vrouw ging. Hij antwoordde dat de kuren leken aan te slaan en dat er gedacht werd aan een operatie. We liepen samen op, zwijgend, hij met hond, ik zonder hond, zoals we sinds vorige week maandag weten. Opeens zei hij: “mag ik je een rare vraag stellen”? Ik zei: “kom maar op met je rare vraag.” En daar kwam ie. “Bid jij”? Inderdaad een rare vraag, raar in de betekenis van zeldzaam. Een heel intieme vraag ook die ik beslist niet van hem verwacht had. Ik zei: “ja, ik bid.” En toen hij weer: “ja, maar dat komt omdat jij nog gelooft.” O o o! Hier zat een hele wereld achter aan vooronderstellingen, een achtergrond die ik niet kende, zijn taxatie van mensen die “nog bidden en geloven”. Ik vond op dat moment dat ik daar wat aan moest doen, dus ik zei: “maar mijn geloof is door de Verlichting gegaan, door een vracht aan filosofen. Ik geloof niet meer zoals ik als kind geloofde, ik heb niet meer dat naïeve geloof van toen. Maar toch geloof ik nog.” Op dat moment brak ons gesprek af, vanwege de hond. De hond trok hem naar een plaats waar hij zijn “gevoeg” wilde doen (de woorden van mijn gesprekspartner, ik zei al dat het een wat formele, deftige man is) en zo gingen onze wegen uiteen. Toen ik verder liep dacht ik: je hebt dat niet goed aangepakt, je had niet over jezelf moeten praten. Ik had moeten zeggen: zou jij ook willen bidden, maar je weet niet hoe? Waarschijnlijk had hij dan gezegd: nee, ik zou bij God niet weten hoe ik moet bidden. Dan had ik weer kunnen zeggen: dat wisten de vrienden van Jezus ook niet. Zeer waarschijnlijk wisten ze dat niet, omdat ze ook niet geloofden in de traditionele zin van het woord (“het Galilea van de heidenen”, zo stond de streek immers bekend waar Jezus zijn makkers vandaan haalde). En toen ze vroegen: hoe moet je bidden, leer ons dat, antwoordde Jezus: Vader, laat uw naam geheiligd worden en laat uw koninkrijk komen. Geef ons dagelijks het brood dat wij nodig hebben. Vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig is. En breng ons niet in beproeving (Lukas 11, 2 – 4). Deze voortgang van het gesprek bedacht ik. Zoals zo vaak gebeurt dat je denkt: dát had ik moeten zeggen. Enfin, er komt misschien nog een kans.

Als je bidt zoals Jezus kom je misschien uit je bubbel, uit de maag van de grote vis, en tref je jezelf aan op het strand van de innerlijke vrede. Jezus wist waarover hij sprak. Hij zat zelf in die maag. Hij vergeleek zich met Jona, en zei dat de mensen geen ander teken gegeven zou worden dan het teken van Jona, het teken van Jezus.

maandag 5 oktober 2020
Lezing: Galaten 1, 6 – 12 en Lucas 10, 25 – 37

Ooit was religie een ingewikkelde zaak, je moest je houden aan vele geboden en verboden, regels en voorschriften. Het jodendom kent 613 mitswot. Wikipedia somt ze allemaal op, wie zin heeft om ze te bekijken zoekt ze maar eens op. Jezus heeft de zaak aanzienlijk vereenvoudigd door ze terug te brengen tot 2: God beminnen en de naaste als je zelf. Simpel, toch? Je moet een Schriftgeleerde zijn om het weer moeilijk te maken met de vraag: wie ís mijn naaste?

Het Grote Verhaal mag dan voorbij zijn, Lucas heeft een aantal prachtige kleine verhalen; het verhaal van de barmhartige Samaritaan blijft een ijzersterke uit zijn repertoire. Het heeft onze beschaving mede vorm gegeven, ik geloof niet dat dit een overdreven bewering is. Op 27 september werd de heilige Vincentius gevierd. Welnu, Vincentius (1581-1660) was zeker een barmhartige Samaritaan, zoals vele actieve religieuzen barmhartige Samaritanen zijn geweest, zoals momenteel zorgmedewerkers en verpleegkundigen, intensivisten en virologen Samaritanen zijn voor de mensen die langs de weg liggen met Covid-19.

Maar nu terug naar het ijzersterke verhaal, met de moeilijke vraag: wie is mijn naaste? We moeten nog eens goed kijken, want we zijn niet allemaal intensivist of verpleegkundige, we zijn niet allemaal beroepshalve Samaritaan. Hoe zit dat in de vrije tijd of aan gene zijde van welke baan of professie ook? Volgens het verhaal van Lucas kan iedere mens de naaste worden van een andere mens … als die andere mens je pad kruist, en als het toevallig zo is dat die ander in nood verkeert. Je moet die nood wel zien of willen zien, je moet dan ook nog een hart hebben dat geraakt wordt door die nood én je moet de bereidheid hebben of de mogelijkheid om actie te ondernemen en wat aan die nood te doen. Als aan die voorwaarden voldaan is – en daarover wordt in een splitseconde beslist – dan ben je opeens de naaste geworden van die mens.

Hoe zit dat in het nieuwe normaal, met de anderhalve meter regel, met het advies om vooral thuis te blijven werken? Je hoort dat veel mensen psychische problemen krijgen, dat er grote eenzaamheid ontstaat. Wie doet daar wat aan? De trouwe viervoeter! Ik begin mijn dag met een wandeling, en ik kom dan mensen tegen met een hond, al dan niet aangelijnd. Ik ben op de gedachte gekomen: honden zijn de naaste van de mens geworden. Het valt mij op dat in de hedendaagse romanliteratuur de hond een grote rol speelt. Ik las onlangs boeken van Olga Tokarczuk (Nobelprijs literatuur 2018) waarin alleengaande oude vrouwen als enige metgezel de hond hebben. Sander Kollaard won eind juni van dit jaar de Libris Literatuurprijs 2020 met zijn boek Uit het leven van een hond. De hoofdpersoon zegt ergens dat hij méér van zijn hond houdt dan van wie of wat ook. Wat langer geleden schreef Koos van Zomeren prachtige korte verhalen over zijn wandelingen met Rakker, zijn hond. De hond heeft eigenschappen die je zonder meer christelijk zou kunnen noemen. Een hond oordeelt niet, iets wat Jezus ook aanbeveelt aan zijn volgelingen. Een hond discrimineert niet. Of je nou arm of rijk bent, oud of jong, lelijk of beeldschoon … het maakt de hond niets uit, de hond is onvoorwaardelijk toegewijd aan baas of bazin. Ja, de hond is een serieuze kandidaat om als naaste bestempeld te worden. Daags na Werelddierendag en Franciscus van Assisi moeten we God danken voor dit schepsel: broeder/zuster hond, dit prachtige geschenk van God aan de mens.

Misschien wilt u nu weten of ik zelf een hond heb. Het antwoord is nee. Ik wandel zonder hond door het leven. In mijn jeugd is er wel even een hond geweest, hij heette Bobby. Maar toen hij in de neus van mijn kleine zusje beet was het afgelopen.

maandag 28 september 2020
Lezing: Job 1, 6 – 22 en Lucas 9, 46 – 50

De eerste lezing geeft ons een Jobstijding, slecht nieuws dus. Er was niks mis met Job en zijn zeven zonen en drie dochters, het ging hen goed, eigenlijk te goed. Voor Jobs zonen en dochters was het alle dagen feest. Het boek Job vertelt het verhaal dat het vreselijk mis gaat, alles gaat ten gronde, alles wordt hen afgepakt.

Het is haast onmogelijk om Job niet als een spiegel te zien waarin we onze tijd herkennen. En als wíj dat niet zien, dan wel Philipp Blom (1970), historicus, filosoof, schrijver, die in Buitenhof onlangs zijn essay toelichtte: “Het grote wereldtoneel, over de kracht van verbeelding in crisistijd.” Volgens hem verkeren we in de laatste fase van het Grote Verhaal. Het grote verhaal van de mens als kroon (corona) op de schepping, het schepsel dat boven de natuur staat, en dat met de natuur kan doen wat hij wil. We komen nu van die kermis thuis. We ontdekken dat we onderdeel zijn van de natuur en dat we niet straffeloos met haar kunnen doen wat we willen. Hoe moeten we daarop reageren? Binnen het Grote Verhaal van de Bijbel treffen we het ontnuchterende verhaal aan van Job, hoe hij door Satan beproefd wordt met goedvinden van God. De inzet van het boek Job is: houdt zijn Godsvertrouwen stand bij onheil en rampspoed voor zijn dierbaren, de algehele teloorgang van zijn bezit en bij zijn persoonlijk lijden? Het antwoord op die vraag kennen we: ja, het houdt stand. De clou van het verhaal wordt al weggegeven in het eerste hoofdstuk, in de luttele verzen die we lezen, met de woorden: “De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.”

Maar hoe zal de mens reageren die het geloof in God heeft verloren? Wat gebeurt er als de mens niet meer naar het café mag, naar het voetbalstadion, naar de festivals: wat zullen de zonen en de dochters van de mens dan doen? Hashtag: #ikdoenietmeermee? Je toch maar aan de strenge maatregelen houden, wachten op het vaccin, en daarna weer verder op de oude voet? Als we dat doen, zegt Philipp Blom, en hij is de enige niet, dan kun je wachten op de volgende ramp, een nog dodelijker virus; dan stevenen we – denk aan het klimaat – regelrecht af op de afgrond. Wat is zijn oplossing, welke kant moeten we op? Zijn antwoord is: verbeelding, de kracht van de verbeelding kan ons redden. We zullen iets anders moeten willen, we moeten iets anders gaan zien, we zullen ons een nieuw doel moeten stellen, er zal een ander verhaal moeten komen dat ons het duwtje in de rug geeft om in beweging te komen naar een nieuwe toekomst.

Veel oproepen met nieuw dus. Daarom treft het dat we een boek hebben dat Nieuwe Testament heet. Volgens mij brengt Jezus die verbeelding, die krachtig genoeg is om het aanschijn van de aarde te vernieuwen. Ja maar zeg, en nu zal ik me even advocaat van de Satan maken, het zogenaamde Nieuwe Testament is onderdeel van het grote verhaal van de bijbel. Dat grote verhaal had toch afgedaan, dat verhaal was toch juist deel van het probleem? En zeg je Jezus, dan is het volgend woord God … en in God geloven we toch niet meer? Hebt u Trouw van zaterdag 19 september gelezen? Daar maken we kennis met Julian Baggini (1968), een Brits filosoof, journalist en schrijver. Hij heeft gezocht naar de boodschap van Jezus zonder God. Volgens hem kun je de woorden van Jezus ontdoen van alles wat met God te maken heeft en dan nog hou je een radicale levensfilosofie over die kan inspireren. Ik zal me vandaag onthouden van commentaar op die stelling, en me keren tot Jezus in de korte tekst die vandaag voorligt: Lucas 9, 46 – 50. De leerlingen zijn bezig met de gewichtige vraag wie van hen het belangrijkste is. Powerplay, de hoge borst, haantje de voorste, de kroon op het hoofd, het oude liedje. De kracht van Jezus verbeelding komt tot uitdrukking in zijn woord: wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot. Dit voldoet aan de eisen die Blom stelt: iets anders willen, iets anders zien, een ander doel stellen. Gaat dit je verbeelding te boven, dan helpt Jezus door het concreet te maken: hij nam een kind bij zich dat hij naast zich neerzette. Hij zei tegen hen: wie dit kind in mijn naam opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft. Philipp Blom doet in feite hetzelfde als hij Greta Thunberg tot icoon maakt van de nieuwe wereld die komen moet. Dit kind kijkt ons met grote ogen aan en vraagt ons te stoppen met de vernietiging van de aarde, en te bouwen aan een toekomst …

maandag 21 september 2020
Lezing: Ef. 4, 1 – 7. 11 – 13 en Matteüs 9, 9 – 13

Vandaag valt de schijnwerper op Matteüs, een van de vier evangelisten. Een evangelie is een goed en waar verhaal over Jezus. Dat er vier evangelisten zijn betekent dat er vier goede en ware verhalen over Jezus zijn. Vier verschillende verhalen, en dat is mooi want het voorkomt fundamentalisme. Fundamentalisme is de akelige menselijke neiging om te denken dat je de waarheid kent, dat je de waarheid in pacht hebt, dat je die waarheid aan anderen kunt opleggen. Jezus lijkt zich in het Johannesevangelie schuldig te maken aan fundamentalisme als hij zegt: Ik ben de waarheid. Van de andere kant zegt hij ook: wat is goed? Een is goed, God. Vier verhalen dus over Jezus. Maar elk verhaal moet uitgelegd worden, vooral als er dingen zijn die we niet begrijpen. De bijbel (waar de evangelies onderdeel van zijn) wemelt van dingen die we niet begrijpen, dus de uitleg is ook een wemeling. Een rabbijn heeft ooit gezegd: er zijn 99 manieren om de bijbel uit te leggen, aan jou de taak om de 100ste te vinden. Misschien zegt u: ik heb wel wat beters te doen. Dat zal ik niet zeggen, veel beters heb ik niet te doen. Zo ook niet theologen en exegeten – en mensen die bijvoorbeeld in een bijbelgroep de tijd nemen om in een uitwisseling van hun gedachtes nader te komen tot het begrijpen van het goede en ware verhaal. Daarbij wordt het oude verhaal altijd in contact gebracht met de eigen tijd, onze problemen en onze behoeftes om zin te zien te midden van de oeverloze onzin. Zo heb je in Trouw het Theologisch elftal dat zich buigt over de vraag of je mensen kunt dwingen het goede te doen (Trouw 10 september 2020). Probleem: het dodelijke virus dat om zich heen grijpt. Probleemstelling: terwijl de coronacrisis zich voortsleept, groeit het protest tegen de coronawetgeving. Maar hoeveel vrijheid kunnen mensen aan? Als we vrij zijn, denken we dan nog aan het algemeen belang? Uit het elftal rent Manuela Kalsky naar voren, bijzonder hoogleraar voor theologie en samenleving aan de VU. Zij wijst op Matteüs, de evangelist die we vandaag vieren. Ze zegt: “In het evangelie van Matteüs staat: ‘Zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden’. Het koninkrijk van God, dat klinkt misschien exclusief christelijk. Maar je kunt het ook ‘het goede leven voor allen’ noemen. Het is namelijk het visioen van een radicaal inclusieve samenleving. De wolf ligt naast het lam; in plaats van wij-zij is er onderlinge verbondenheid. Een samenleving met een economie die gericht is op het algemeen welzijn.” Manuela rent nog wat verder: “Als individu kan ik me heel goed vinden in dat goede leven voor allen. Maar je kunt het niet afdwingen met wetgeving. Ik denk dat we als samenleving weer zo’n soort gedeeld visioen moeten ontwikkelen, als we de crisis de baas willen worden. Want er gaat nog veel op ons afkomen: meer mensen worden werkeloos, kunnen de huur of de hypotheek van hun huis niet meer betalen. Mensen raken hun bestaanszekerheid kwijt. Als we dan geen visioen van een solidaire samenleving hebben die we samen praktisch willen vormgeven, blijft ieder enkel vechten voor zijn eigenbelang en overleven.” Volgens mij treft Manuela het doel: doelpunt! We mogen niet juichen, wel in de handen klappen. Na de spelhervatting maakt een andere speler uit het Theologisch elftal zich los en rent naar voren in een korte sprint, Erik Borgman, hoogleraar publieke theologie aan Tilburg University. Hij zegt: “Wat dat betreft vond ik de oproep van Van der Staaij niet gelukkig. Hij riep de overheid vooral op meer rekening te houden met het belang van de kerk. Dat is voor hem het belang van gelovigen die zich principieel niet willen laten vaccineren, mensen die op zondag in de kerk willen zingen of kost wat kost avondmaal vieren. Ik herken mij niet in die kerk. Juist de kerk zou wat mij betreft moeten weten dat het niet om het eigen belang draait.” Weer een doelpunt gemaakt door een lid van het Theologisch elftal. Maar ook hier: niet juichen, enkele een zacht applaus op het feest van Matteüs, een van de vier (officieel erkende) schrijvers van het goede en ware verhaal van Jezus de Levende.

maandag 14 september 2020
Lezing: Numeri 21, 4 – 9 en Johannes 3, 13 – 17

Vandaag viert de kerk het feest van de Kruisverheffing. In het verleden heb ik wel uitgelegd waar dit feest vandaan komt: het is een mix van oude legendes en vrome onzin waar vooral het rooms-katholicisme verzot op was. Geen hond die zich daar nog voor interesseert. Nee, ik kan beter het verhaal vertellen van Sjef (1932) over wie ik eens een portret heb geschreven onder de titel: mantelzorger, wandelaar, gemeenschapsmens. Ik kwam hem tegen bij de karretjes van Albert Heijn. Hij is 88. Al negen jaar gaat hij elke dag naar het verpleeghuis Elisabeth, naar zijn vrouw die daar is opgenomen. Hij houdt zijn vrouw enkele uren gezelschap en helpt haar bij de maaltijden, negen jaar lang op die leeftijd. De afgelopen corona maanden mocht hij niet bij haar komen – zijn verhaal is niet uniek, dit is de grote schande van de overheidsmaatregelen rond verpleeghuizen waarvan nu gezegd wordt: dat gaan we zo niet meer doen. Al die maanden stond hij op straat met zijn mobiele telefoon, belde haar op een vast tijdstip, sprak haar bemoedigende woorden toe. Vanaf een vrij grote afstand zwaaide hij naar haar en zij zwaaide terug. Spreken kan zij al lang niet meer. Hij vertelde me dat hij nu voor de derde keer weer was toegelaten om haar te helpen met eten, alleen op haar kamer. Hij keek me met droeve ogen aan. “Weet je,” vroeg hij, “hoe ik door die periode heen ben gekomen?” Ik wilde het graag horen. “Tegen de muur van het verpleeghuis hangt het kruis dat nog van de Maria Boodschap afkomt (de Maria Boodschapkerk is aan de eredienst onttrokken, het was de parochiekerk van zowel Sjef als van mij). Wel, ik heb telkens naar dat kruis gekeken en dan kon ik er weer tegen. Ik weet niet hoe de mensen het doen die geen geloof hebben, want het verpleeghuis … dat is pure ellende.” Dit was het verhaal van Sjef. Ik vond het een verheffend verhaal, en ik besefte meteen dat mijn preek over de Kruisverheffing daarmee geschreven was. Toch nog even naar de tekst van Johannes hoofdstuk 3. Geen vrome onzin daar, maar de kern van de zaak: Jezus in gesprek met Nikodemus. Ze praten over het koninkrijk van God zien en dat daar een soort nieuwe geboorte voor nodig is, een nieuwe blik of een nieuwe mentaliteit, iets dat je niet kunt kopen bij Albert Heijn. In het verlengde van dit gesprek zegt Jezus: “Er is toch nooit iemand opgestegen naar de hemel behalve degene die uit de hemel is neergedaald: de Mensenzoon?” Als mensen sceptisch zijn over de hemel en het hiernamaals – en dat zijn de meeste mensen tegenwoordig – dan zeggen ze: ja, ja, je kunt mooie verhalen ophangen, maar één ding is zeker: er is nog nóóit iemand van ginds teruggekeerd om ons te vertellen hoe het is. Jezus kent die scepsis natuurlijk ook, en hij gaat er in mee. Als je gestorven bent daal je af in de aarde, je stijgt niet op naar de hemel. Zo is het en niet anders. Maar er is één uitzondering, namelijk degene die uit de hemel is neergedaald … die maakt een gerede kans dat hij opstijgt naar de hemel: de Mensenzoon. Het is deze Mensenzoon, Jezus Christus, die aan het kruis geslagen wordt. Het kruis is het teken van het christelijk geloven, een dubbelzinnig teken. Enerzijds staat het voor de diepste ellende van de mensheid die in een tranendal verkeert, anderzijds staat het voor de verheffing uit de ellende in een rijk van God waarin er vreugde, vrede en geluk zal zijn. Een prachtig geloof. Een geloof dat je er doorheen trekt. Inderdaad Sjef, ik weet niet hoe mensen die geen geloof hebben hiermee kunnen dealen. Nauw gekoppeld aan het feest van de Kruisverheffing is het feest van morgen: Onze Lieve Vrouw van Smarten. Vanuit zijn verhoogde positie aan het kruis ziet Jezus naar om laag en daar staat zijn moeder (Stabat mater dolorosa). Daar staan wíj met smart in ons hart. Want al is ons geloof verheffend, de dingen hier om ons heen blijven smartelijk. En wat is ons geloof? Dat is wat Johannes in het fragment van vandaag durft te belijden: “Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”

maandag 7 september 2020
Lezing: 1Kor. 5, 1 – 8 en Lucas 6, 6 – 11

“Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, of men een leven mag redden of verloren laten gaan.” Dit is een schoolvoorbeeld van een retorische vraag: een vraag waarop je eigenlijk niet eens hoeft te antwoorden omdat er maar één antwoord mogelijk is. Natuurlijk mag je goed doen, natuurlijk mag je een leven redden, hé hé. Maar in de situatie waarin Jezus die vraag stelt ligt het iets ingewikkelder. Op sabbat mag je niet doen, dat was de idee van sabbat. Niet werken, je onthouden van activiteiten, op de plaats rust en daarbij denken aan God die in zes dagen de wereld schept en op de zevende dag rust. Dit is de orde, dit is in orde. Jezus is hier – in tegenstelling tot het vrome plaatje dat we misschien van hem hebben – subversief bezig, hij gooit de orde omver. Op sabbat mag je wel degelijk iets doen, goed doen mag altijd en een leven redden mag ook altijd. Als je vindt dat het anders is moet je je toch eens laten nakijken. Nu is “goed doen” erg abstract, “een leven redden” is al een stuk concreter als het bijvoorbeeld gaat over reddingsbrigades langs de Noordzee bij gevaarlijke stromingen en mensen die geen ervaring hebben met deze zee zoals deze zomer weer het geval was. In het evangeliefragment gaat het in concreto over een naamloze man met een verschrompelde hand. Zijn hand is nutteloos, hij kan er niets mee doen, niet alleen op sabbat niet, maar ook op maandag niet. Op sabbat zal hij er niet veel last van hebben, want dan mag je toch niets doen, maar al die andere dagen is het behoorlijk lastig. Het verhaal van Lucas is dat Jezus de man geneest, op de sabbat, op de dag dat je niets mag doen, ook niet geneeskundige handelingen verrichten. Jezus gooit hier de oude orde omver: ook op sabbat, en elke dag van de week, mag je goed doen, mag je het leven redden. Het verhaal heeft een grote actualiteitswaarde, lijkt me. De man met de verschrompelde hand staat voor de mensheid anno 2020: kan de mens het leven van de planeet nog redden? Wat is het goede dat er dient te gebeuren om het grote sterven van de soorten te stoppen? Als we het daar al over eens zouden worden, zijn we dan ook bij machte om de juiste acties te ondernemen, de goede maatregelen te treffen, ons ingesleten gedrag te veranderen? Zijn we in staat om het op een rechtvaardige manier te doen, zo dat alle mensen van deze planeet een menswaardig bestaan hebben, er gelet wordt op het welzijn van de dieren, er een toekomst mogelijk is voor hen die na ons komen? Ook dit zijn welhaast retorische vragen: we weten wel dat we daartoe niet in staat zijn, we zijn onmachtig, onthand, de rechterhand is verschrompeld en met enkel de linkerhand is het halve bak. We wachten op iemand die ons geneest, die zegt: strek je hand uit zodat er leven in komt. We wachten op het onverwachte: dat Jezus de samenkomst der mensen binnenwandelt en ons de kracht geeft om goed te handelen en het leven te redden. Maar Jezus is die synagoge al binnengewandeld, de hand is in principe al genezen. Laten we daar maar eens bij stil staan, op een sabbatmoment tijdens het weekend. Laten we het ons herinneren en bidden om de gids-en-helper die hij belooft heeft: de heilige Geest, zodat we op maandag vooruit kunnen met het karwei....

maandag 31 augustus 2020
Lezing: 1Kor. 2, 1 – 5 en Lucas 4, 16 – 30

Op maandag 17 augustus keek ik terug op het optreden van Zomergast Jaap Goudsmit, viroloog en epidemioloog. Vanwege de pandemie van Covid-19 willen wij alles weten over dit virus dat ons leven bedreigt. Maar deze openhartige wetenschapper vertelde vooral dat we niet veel weten. Toon Hermans maakte daar destijds een mooi nummer van: weet ik veel! riep hij uit, wij weten niet veel! Wij moesten daar erg om lachen, tegenwoordig vinden we dat niet zo grappig.

Vorige week had ik terug kunnen kijken op het optreden van Zomergast Carola Schouten, maar zij moest plaats maken voor Maria Tenhemelopneming. Daar zou Carola ging enkel bezwaar tegen hebben, want we leerden haar kennen als een bescheiden vrouw. Als minister van landbouw gaat zij over het milieu, het klimaat, de houdbaarheid van onze aarde. Zij moet oproeien tegen de overmacht van het grote geld en de gevestigde belangen. Zij zit gevangen tussen structurele maatregelen die gevraagd worden en de lotgevallen van individuele boerenfamilies die zij wil blijven zien. Zij vraagt zich af of zij de juiste persoon is op de juiste plaats. Ik vond haar met haar zelftwijfel een krachtige vrouw, een sieraad voor de ChristenUnie. Bij haar zie je de paradox die wel vaker opgaat: mensen die zich geschikt achten om leiding te geven zijn het vaak niet, mensen die zich niet geschikt achten zijn het vaak wel. Denken we aan de gebedsformule voor het ontvangen van de communie: “Heer, ik ben niet waardig”.

Vandaag kijk ik terug naar de laatste Zomergast van dit seizoen, Ilja Leonard Pfeiffer, vorige week zondagavond. Ilja Leonard is een zeer succesvolle romanschrijver, dichter, columnist: alles wat hij aanraakt wordt goud. Ik vond het interessant wat hij over zijn schrijverschap zei: hij is vaak verrast wat er uit zijn pen komt, het is heus niet allemaal vooraf bedacht, het lijkt alsof het van buiten komt. Als klassiek geschoold man weet hij dat de ouden dan aan de Muzen dachten; ongetwijfeld kent hij ook de christelijke opvatting in dezen die denkt in termen van inspiratie en heilige Geest. Maar zoals het een hedendaagse schrijver betaamt is Ilja Leonard ongelovig: hij gelooft niet in iets dat van buiten komt. Op het eind van de avond kwam hij niettegenstaande zijn beleden ongeloof toch tot de uitspraak dat een mens iets moet geloven. Het adagium: zonder geloof vaart niemand wel, bleef ongenoemd. Waarin geloofde Ilja Leonard dan persoonlijk, zo vroeg gastvrouw Janine Abbring. Als antwoord gaf hij: dat je in je leven iets moet bijdragen aan de verbetering van de wereld, want anders had je leven geen zin gehad. We moesten het ermee doen, en het is helemaal geen slecht antwoord.

De antwoorden uit de lezingen van vandaag zijn eigenlijk hetzelfde, maar iets krachtiger. Paulus in 1Kor. 2, 1- 5 zegt dat hij zich zwak, onzeker en angstig voelde bij zijn verkondiging van het Woord – ik denk dan aan Carola Schouten. Hij denkt ook dat het geloof niet steunt op menselijke wijsheid want wat stelt die wijsheid nu helemaal voor – ik denk dan aan Jaap Goudsmit. Nee, geloof steunt op de kracht van God, en die kracht is tot uiting gekomen – heel paradoxaal – in Jezus, de gekruisigde. In de evangelielezing uit Lucas 4, 16 – 30 zien we Jezus in de synagoge van Nazaret aan het begin van zijn optreden. Hij leest voor uit Jesaja, hij maakt zich die woorden eigen. “De geest van de Heer rust op mij, daartoe heeft hij mij gezalfd. Om aan armen de goede boodschap te brengen heeft hij me gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating aan te kondigen en aan blinden het licht in hun ogen, om verdrukten in vrijheid te laten gaan en een jaar af te kondigen dat de Heer welgevallig is.” Een prachtig programma, dat is iets om in te geloven. En wanneer gaan we daar aan beginnen? Morgen? Stil maar wacht maar, alles wordt nieuw? Niks daarvan. Het is de enorme kracht en macht van Jezus dat hij kan zeggen: “Vandaag is het Schriftwoord dat u gehoord hebt in vervulling gegaan.” Waarlijk, Jezus is de Zomergast die de wereld nodig heeft.

maandag 24 augustus 2020
Lezing: Apokalyps 21, 9b – 14 en Johannes 1, 45 –51

Belofte maakt schuld: ik zou aandacht besteden aan het hoogfeest van Maria Tenhemelopneming. Negen dagen na dit feest – dat is de periode waarin je een noveen kunt bidden – ben ik nog niet over tijd, lijkt me zo. Maar eerst een mop uit de laatste Met Kap en Koord, het blad van de Nederlandse kapucijnen. “Een jezuïet en een franciscaan reizen samen. Plots vraagt iemand aan hen allebei: Broeders, kunnen jullie mij vertellen welke noveen ik moet bidden om een BMW te kunnen betalen? De franciscaan reageert met een wedervraag: Wat is een BMW? Waarop de jezuïet antwoordt: Wat is een noveen?”

Juist, en wat is Maria Tenhemelopneming? Wie zijn catechismus heeft geleerd én onthouden, antwoordt: dat Maria met lichaam en ziel is opgenomen in de hemel. Het is een kras dogma dat pas in 1950 werd afgekondigd in de rkk. In de oosters-orthodoxe kerk (evenals in de oudkatholieke kerk en in het protestantisme) heeft men dit niet overgenomen; daar spreekt men van het Ontslapen van Maria. Na haar dood zou Maria “ontslapen” zijn, d.w.z. wakker geworden voor Gods eeuwigheid. De crux zit hem natuurlijk in het lichaam. Dat je met je ziel wordt opgenomen is voor de mens voorstelbaar, als hij zich al iets kan voorstellen bij de ziel. In het westen zijn we sinds Plato vertrouwt met het idee van de onsterfelijke ziel. Maar een lichamelijke onsterfelijkheid is absurd en in strijd met elke waarneming, ervaring en gedachtegang. Ik heb in de loop van mijn inmiddels toch ook al lange leven diverse theologen horen zeggen dat dat dogma van 1950 “jammer” was: het ware beter geweest als dit niet was gedaan, beter voor de oecumene met het oosterse kerk en het protestantisme. Waarom moest de rkk zich hiermee zo apart zetten? Toch heeft de gedachte van de lichamelijke opneming van Maria zeer oude papieren; het is bepaald niet zo dat vrome borsten dit in de 20ste eeuw bedacht hebben. Ik wijs op het Credo van Nicea-Constantinopel uit de vierde eeuw, op de daarvan afgeleide “twaalf artikelen van het geloof” die aldus eindigen: Ik geloof in de Heilige Geest, de heilige katholieke Kerk, de gemeenschap van de heiligen, de vergeving van de zonden, de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven. Amen. Zo’n beetje weggefrommeld tussen de vergeving van de zonden en het eeuwige leven amen zit daar toch de verrijzenis van het lichaam. Dat onze Verlichte tijd dat niet kan geloven, en dus ook niet dat Maria met ziel én lichaam ten hemel is opgenomen, is dus een probleem. Toch had de paus in 1950 wel iets gezien dat steeds groter zou worden in onze cultuur, namelijk het enorme belang dat we hechten aan het lichaam en het lichamelijke. Er wordt misschien nergens zoveel geld aan uit gegeven dan aan de kapper, de pedicure, de nagelstudio, de bodyshop, fitness, de piercings en de tatoeages, de cosmetica om nog maar te zwijgen van ingrepen in het lijf voor een optimaal lijf. Onze tijd gelooft nog eerder in het lichaam dan in de ziel.

Nou moet ik eindelijk naar het theologisch antwoord op de vraag waarom het lichaam in de geloofsartikelen zit. Dat komt omdat vanwege de christologie, de verrijzenis van Christus die mens werd, d.w.z. het sterfelijke vlees heeft aangenomen, geboren uit de maagd Maria. Als de mens een onsterfelijke ziel had was de komst van Jezus Christus overbodig: wat zou hij toevoegen aan het drama van het mens-zijn? Maar de mens is geen ziel, de menselijke persoon is ziel én lichaam onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het christelijk geloof gelooft dat de gelovige met Christus mee wordt getrokken in een eeuwig leven bij God, op het einde der dagen als Hij alles nieuw maakt. Maria Tenhemelopneming is een voorafschaduwing van die gebeurtenis, een anticipatie, nu al, in het geval van Maria. Uit de grote liefde voor Maria is dit vermoeden tot dogma uitgekristalliseerd. En het is zoals Paulus in 1Kor.13 zegt: de liefde gelooft alles.

maandag 17 augustus 2020
Ezechiël 24, 15 – 24 en Mattheüs 19, 16 –22

Vorige week zondagavond was Jaap Goudsmit, viroloog en epidemioloog, de Zomergast (VPRO, NPO2). Hoewel we tegenwoordig hevig geïnteresseerd zijn in virologie en epidemiologie is zo’n gesprek van 20.15 uur tot 23.25 uur veel te lang als u het mij vraagt. De formule is praten naar aanleiding van filmfragmenten. In mijn preken praat ik naar aanleiding van bijbelfragmenten, het lijkt dus wat op elkaar, al ben ik niet zo lang van stof. Een filmfragment was schokkend en absurd.

In Alphaville (Jean-Luc Godard, 1965) bestuurt een supercomputer de stad Alphaville; het is de mensen verboden om onlogisch te handelen en emoties te tonen; als ze dat toch doen worden ze doodgeschoten. Schokkend en absurd. Bij Ezechiël, het eerste bijbelfragment, lezen we precies hetzelfde. “Mensenkind”, zegt God de HEER, tegen de profeet Ezechiël: “Ik ga je oogappel, je vrouw, van je wegnemen, maar je mag niet rouwen, huilen of klagen.” Wat Ezechiël met deze profetische symbooldaad moet duidelijk maken ontgaat mij eerlijk gezegd, maar wel is duidelijk dat het niet gezond is om geen emoties te mogen tonen: dat is onmenselijk en ziekmakend. Rouwen, huilen of klagen zijn goede dingen, de HEER welgevallig. O ja, nu zie ik wel wat Ezechiël het ontrouwe volk Israël wil duidelijk maken: het is ongezond en ziekmakend om je af te keren van de HEER, om MAMON te dienen, valse goden na te lopen, de verkeerde dingen te willen, het milieu te vernietigen, het klimaat te veranderen, onrechtvaardige verhoudingen in de wereld te laten bestaan door op de verkeerde partijen te stemmen en de verkeerde politieke leiders aan de macht te houden.

Het tweede bijbelfragment komt uit Mattheüs. Daar gaat het over een rijk mens (“hij had vele bezittingen”), het gaat over ons dus. We hebben alles, maar het eeuwige leven niet, of nog niet. Dus vraagt hij Jezus hoe hij moet handelen, of in de woorden van het evangelie: “wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te krijgen?” Ook hij zit nog gevangen in het neoliberale model: hebben en krijgen, daar gaat het om. Jezus toont zich in zijn antwoord een theoloog én een humorist. Eerst gaat hij in op het idee “goed”. Goed, goed: wat noem je goed, de geboden onderhouden is goed, als je daar eens mee begint. Overigens – en daar spreekt Jezus de theoloog, en Hij kan het weten – EEN is er goed. En dat is God. God is onverdeeld goed. En nu komt Jezus als de humorist uit de hoek: als je onverdeeld goed wil zijn (d.w.z. zoals God), ga dan je bezit verkopen en geef het aan de armen; dan zul je een schat hebben in de hemel. Ik vind dit humor. Jezus weet ook wel dat we dat niet gaan doen. Maar hou dan op om over het goede en het eeuwige leven te zeuren.

Het bijbelfragment sluit af met de scène dat de jongeman verdrietig heengaat als hij dat woord hoort, want hij heeft veel bezittingen. We moeten de jongeman en onszelf dit verdriet, deze emotie gunnen. Het toont aan dat we behalve in virologie en epidemiologie ook geïnteresseerd zijn in maatschappelijke en theologische vraagstukken …

maandag 10 augustus 2020
Lezing: 2Kor. 9, 6 – 10 en Johannes 12, 24 – 26

De laatste roman van Stephan Enter (Barneveld, 1973) heet Pastorale (Van Oorschot, Amsterdam, 2020). Het gaat over een warme zomer in de jaren tachtig en een eerste liefde én over het ontsnappen aan een christelijk milieu. In de NRC van 31 juli jongstleden wordt Stephan geïnterviewd. Hij begint met te zeggen: “Religie is naar mijn mening uitsluitend verzonnen om vrouwen, kinderen en dieren te onderdrukken. Ik vind het onbegrijpelijk dat vrouwen in zo’n wereld blijven hangen.” Jeminee, vrouwen, kinderen en dieren, wat een opsomming. Maar inderdaad, mannen zijn traditioneel niet de onderdrukten, maar de onderdrukkers. Ook lijkt het wel zo dat vrouwen tegenwoordig langer in religie blijven hangen dan mannen. Zonder de vrijwilligers in de parochies, meestal vrouwen, bestond de kerk in Nederland niet meer. Waarom is Stephen die gereformeerd is opgevoed (Barneveld, biblebelt) en naar zijn eigen zeggen toch een gelukkige jeugd heeft gehad nu zo pissig op religie? Dat legt hij uit. Het jongetje Stephan kreeg zijn eerste fiets. Wie herinnert zich dat niet: de eerste fiets, dat was wat! Maar toen kreeg het jongetje Stephan de gedachte: wat als de Here Jezus nu van mijn vraagt die fiets in de sloot te gooien? Iets in hem zei: niet doen, maar onmiddellijk dacht hij: maar dan ben ik zwak in mijn geloof. Welnu, anno 2020 is hij woest vanwege de kwaadaardigheid van een geloof dat kinderen zulke gedachtes kon aanpraten. Arme gereformeerde Stephan! Wat ben ik blij dat ik katholiek ben opgevoed. Ik kreeg zulke gedachtes helemaal niet. Ik heb nooit gedacht dat Jezus zulke domme dingen van mij wilde. Welnee, Jezus wilde wel wat anders. En je mocht daar in alle vrijheid ja of nee tegen zeggen. Jezus wilde dat ik mijn hele leven zou prijsgeven, dat ik Hem zou volgen, niks fietsen in het water gooien. Zich helemaal geven werd destijds vertaald als religieus worden (pater, zuster, broeder), of parochiepriester, of de combi priester-religieus (d.w.z. pater in een religieuze congregatie). Over het idee zich helemaal te geven ben ik onlangs op het puntje van mijn stoel gaan zitten, en wel op donderdag 2 juli in Nijmegen, in de Vereeniging, waar Patrick Chatelion Counet afscheid nam als topman van de KNR (Konferentie Nederlandse Religieuzen). Hij vertelde dat ie uit hoofde van zijn functie veel in contact was gekomen met hoge geestelijken, bisschoppen en kardinalen, in Rome met hoge prelaten van de curie, en dat hij bij het voorstellen altijd had gezegd: Patrick Chatelion Counet, leek. Dan was meteen het misverstand de wereld uit dat hij priester of religieus zou zijn. In zijn dankwoord en lofrede zei abt Bernardus Peeters o.c.s.o. dat Patrick zich altijd voor de volle 100 % had ingezet voor de KNR, de zaak van de religieuzen, het religieuze leven, en nu komt het: dat hij, Bernardus dus, er van overtuigd was dat Patrick dit alléén had kunnen doen DANKZIJ zijn vrouw en twee dochters, dankzij zijn achterban. Interessant! Meestal wordt het celibaat en het celibataire leven beargumenteerd vanuit de volledige beschikbaarheid, praktisch en spiritueel; je bent volledig beschikbaar als je ongehuwd blijft, als je niet gehinderd wordt door vrouw en kinderen (of door man en kinderen, moeten we tegenwoordig zeggen met vrouwelijke ambtsdragers in de PKN). Voor het eerst hoorde ik – ik weet niet of anderen dit ook hebben opgemerkt – dat volledige toewijding en beschikbaarheid wel kan samengaan met een gezinsleven. Ik vond het fantastisch dat juist abt Bernardus zoiets zei. Maar nu nog de evangelietekst.

“Waarachtig, Ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort. Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het; maar wie zijn leven prijsgeeft in deze wereld, zal het behouden voor het eeuwig leven. Wie Mij wil dienen, zal Mij moeten volgen, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn; wie Mij dient, zal erkenning vinden bij de Vader.”

Ik lees die tekst nu zo: Wie Mij wil dienen, zal Mij moeten volgen. Je moet het wel zelf willen, het hoeft niet. Jezus dwingt je niet, noch om de fiets in het water te gooien, noch om in het klooster te gaan. Het is je eigen, vrije beslissing. De manieren waarop je dient en volgt zijn cultureel bepaald. Maar het eerste wat Jezus zegt is een universele waarheid: ieder mens is een graankorrel die maar vruchtbaar is als hij in de akkergrond sterft. Het heeft geen zin je aan je leven vast te klampen, dan verlies je het. Het heeft wel zin om het prijs te geven ten behoeve van de ander, de gemeenschap, dan zal het behouden blijven voor het eeuwig leven.

Dit is een belangrijke boodschap voor de mens, voor de mensheid. Ik las een artikel van de Poolse filosoof Leszek Kolakowski (1927 – 2009) over Jezus (Filosofie – Tijdschrift nov/dec. 2019 nummer 6). Hij zegt: als Jezus helemaal weg zal zijn uit onze herinnering, dan zal het geloof in de Europese beschaving ook verloren gaan. Hij vreest dat we zullen terugzakken in onmenselijke barbarij. Nee, Stephan Enter, ik zou die christelijke opvoeding toch maar niet minachten; over kinderlijke voorstellingen kun je heengroeien. Dat wist Paulus al: toen ik kind was dacht ik als een kind, nu ik volwassen ben geworden denk ik als een volwassene.

maandag 3 augustus 2020
Lezing: Jeremia 28, 1 – 17 en Mattheüs 14, 13 – 21:

Vandaag citeer ik uit de NRC van zaterdag 25 juli, geschreven door Christiaan Weijts. Hij moet niets hebben van godsdienst en nog minder van christendom, daarom vind ik het geestig dat hij Christiaan heet. Ik ken hem uit zijn stukken als een mens die het goede zoekt en bovendien kan hij geweldig schrijven; laten we ons daarover verheugen.

“Wat bent u allemaal van plan?” Op het strand van Callantsoog stopt de terreinwagen van de reddingsbrigade bij drie mannen in clowneske tuinbroeken. “Wij?” Ze bekijken elkaar, alsof ze nu pas opmerken hoe ze erbij lopen. De linten van hun strohoeden, kaasdragersmodel, wapperen in de straffe wind. Op een brancard torsen ze een constructie van bamboestokken ter grootte van een strandbal. “Oh, wij komen de wereld redden.” De vrouw achter het stuur lacht bedachtzaam – “Oké, dan is het goed …” – en vervolgt haar patrouille langs de branding. De wereld kan wel wat zorg gebruiken, vonden Ton Baan, Erik Boot en Joep van der Peet, drie vrienden van rond de zestig. Gewoonlijk maken ze elk jaar een survivaltocht, weg van de vaste paden. Dit jaar doen ze het anders. Tijdens deze theatrale dialoogwandeling van vijf dagen gaan ze met passanten in gesprek over de wereld na corona.

De bol op de brancard ligt op een piramide van dikke bamboestokken. Daaruit is een reuzenwereldbol te maken, vier meter doorsnee. Aan het eind van elke wandeletappe zoeken ze een plek met wat reuring om die op te bouwen. Tijdens het bouwen praten de deelnemers over de postcoronawereld. Daarin is er ‘minder ik en meer wij’, denkt het drietal. ME-YOU-WE-DO staat er daarom op de polsbandjes die ze uitdelen: ‘het kleinste manifest ter wereld’. Stel jezelf bij elk plan of voornemen de vraag: is het goed voor mij, voor jou, voor ons? Drie keer ja? Doen!

Niets zo bevorderlijk voor de saamhorigheid als een stevige ramp. Kijk naar de Watersnood van 1953. Die ontketende een uitbraak van nationale liefdadigheid, inzamelacties, hulpploegen voor de wederopbouw. Heeft de coronacrisis ook zo’n samenbindend potentieel? In de eerste weken van de lockdown was ik daarvan overtuigd.

”Nog steeds is Christiaan Weijts aan het woord. Hij vervolgt: “In die eerste weken, midden in de eerste schok van de stilgevallen wereld, in die dagen van verlaten straten, thuisonderwijs en slapeloze nachten, verscheen de Nederlandse vertaling van het nieuwe boek van New York Times-columnist David Brooks: De tweede berg. Een maand eerder zou ik alleen al bij de ondertitel, ‘een zoektocht naar zinvol leven’, gillend zijn weggerend. Nu snakte ik naar iets positiefs. Ik merkte dat ik onverhoeds ontvankelijk was voor een verhaal dat ik anders als klef en wel ‘erg Amerikaans’ had afgedaan. Volgens Brooks richten wij ons leven te veel op het beklimmen van ‘de eerste berg’, gericht op succes, prestaties, aanzien, ons ik. Terwijl ‘de tweede berg’ gaat om relaties, compassie, gemeenschappen. Op de eerste berg is kortstondig geluk je beloning, op de tweede beginnen onze zielen zachtjes te gloeien en ervaren we vreugde. Helemaal mee eens. Ja, we hebben een hechte gemeenschap nodig!”

Tot zover Christiaan Weijts, tot zover het begin van het artikel dat verder nog allerlei interessants geeft. Nu nog van mijn kant een klein christelijk commentaar op wat Christiaan te berde brengt. Laten we nog eerst even vaststellen dat het christendom over de redding van de wereld gaat. Jezus is gekomen om de mens te redden van de eeuwige dood. Nu, aan het begin van het verhaal gaat het over de reddingsbrigade die over het strand rijdt nabij Callantsoog. En daar treffen we de drie vrienden Ton, Erik en Joep, zestigers, die de postcoronawereld willen redden met de gedachte: ‘minder ik meer wij’, en hun polsbandje ME-YOU-WE- DO. En dan dat boek van die columnist: De tweede berg. Ik vind het fantastisch dat deze man David heet. David genoemd naar de gezalfde koning, Messias in het Hebreeuws, Christus in het Grieks. Van Jezus is bekend dat hij regelmatig de berg opging om alleen te zijn, c.q. bij zijn Vader. Dat moet in Brooks termen ‘de tweede berg’ zijn. Bij Jezus is er wel meer dat de tweede keer is: bijvoorbeeld ‘de tweede keer geboren worden’. In de evangelietekst vandaag uit Mattheüs 14, 13 – 21 gaat Jezus naar een eenzame plaats, meestal is dat hoger de berg op. De mensen zoeken en vinden hem en Mattheüs zegt: hij heeft zeer met hen te doen: compassie is hier het woord. Ze zijn ziek, ja wie niet? En hij geneest hen. En dan wordt het avond en de leerlingen suggereren: stuur ze weg, laat ieder voor zichzelf in de dorpen eten gaan kopen. Maar ook dit is niet het idee dat op de tweede berg is geboren: nee, geven jullie wat voorhanden is, laat de mensen gaan zitten in groepen, houd de gemeenschap bij elkaar, als we delen is er genoeg. Minder ik meer wij. Dit is allemaal evangelie, dit is Jezus, dit is christendom, ja ook die ludieke actie van Ton, Erik en Joep. Ja, ook het boek van David Brooks, ja ook het goed geschreven stuk van de heidense Christiaan Weijts. En Jeremia, de eerste lezing? Die laat ik maar zitten. Ik hoop daarover geen klaagzang te horen …

maandag 27 juli 2020
Lezing: Jeremia 13, 1 – 11 en Mattheüs 13, 31 – 35

Vandaag viert de kerk de zalige Titus Brandsma, priester en martelaar. Hij werd geboren in Bolsward op 23 februari 1881, hij stierf in Dachau op 26 juli 1942. Sterfdatum en -plaats wijzen op zijn noodlottig einde. Deze hooggeleerde karmeliet (hoogleraar in Nijmegen) was een man die zijn stem verhief tegen nazisme, racisme, de onderdrukking van het vrije woord. Dat bracht hem tot zijn einde. Dat maakt hem in de ogen van de kerk tot martelaar. Ik begrijp niet waarom de kerk hem nog niet heilig heeft verklaard; ik dacht dat martelaar zijn voor je geloof al “voldoende” is. Op welk wonder wacht de kerk? Is het niet een wonder dat het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen bestaat? Dat zo veel wetenschappers, theologen en mystici in hun dagelijkse werk inspiratie putten uit zijn erfenis? Wikipedia geeft een kort overzicht van zijn leven en lot, gedachten en werken. Ik licht er de kern van zijn opvatting omtrent mystiek uit: “God is verborgen aanwezig, in iedere mens én in de gehele schepping. Ieder moment schept God alles-dat-is uit het niets tevoorschijn. Alles is in God en God is in alles. Daarom staat de mysticus niet los van het alledaagse leven, maar staat hij of zij er juist voluit in.” Een blik op de lezingen bevestigt dit. In Jeremia gaat het over een lendendoek, wij zouden zeggen een onderbroek, hoe alledaags wil je het hebben? In Mattheüs geeft Jezus beelden van het koninkrijk der hemelen. Het is als een mosterdzaadje, het kleinste van alle zaden. Als het is opgeschoten, is het groter dan de struiken en wordt het een boom, zodat de vogels van de hemel in zijn takken kunnen nestelen. Een ander beeld, ook al huiselijk en alledaags, is het zuurdesem, gist zouden wij zeggen, dat een huisvrouw in meel verwerkt totdat het er helemaal van doortrokken raakt, de grondstof voor ons dagelijks brood. U zult het niet zo van mij verwachten, maar na het zien van de eerste Zomergast, Glen de Randamie (Zwolle, 6 augustus 1984), alias rapper Typhoon, dacht ik: jongen, jij bent een hedendaagse mysticus. Wat hij getuigde over zijn geloof in de liefde en hoe hij God in zijn leven ervaart! Toen ik hem zo hoorde dacht ik: daar kan geen kardinaal Eijk aan tippen. Hij had als voorbeelden voor ogen Malcolm X, Martin Luther King en James Baldwin: de drie voorvechters van de rassengelijkheid in de VS. Twee van hen moesten hun strijd met de dood bekopen, net zoals Titus Brandsma zijn opstand tegen het racisme van de nazi’s met de dood moest bekopen. James Baldwin ( I Am Not Your Negro) confronteert iedere mens met zijn of haar innerlijk racisme opgevat als de behoefte om op een ander neer te kijken – in welke gedaante die ander ook verschijnt: als zwart, als vrouw, als lhbt-er, vluchteling, crimineel, ziek, zonderling of oud. We zouden het niet nodig moeten hebben op de ander neer te kijken vanwege de illusie dat we zelf wat voorstellen. Alleen als schepsel Gods stellen we wat voor …

maandag 20 juli 2020
Lezing: Micha 6, 1-4.6-8 en Mattheüs 12, 38 – 42

Wellicht hebt u gehoord van Sander Kollaard (1961), hij was in het nieuws toen hij eind juni de Libris Literatuurprijs 2020 won. Hij kreeg de prijs voor zijn roman: Uit het leven van een hond (Uitgeverij Van Oorschot, 2019). De jury was lovend over de teneur van het boek, vooral over het positieve mensbeeld. Dit boek hadden we nodig in deze gekwelde coronatijden; balsem voor de geteisterde ziel.

Een positief mensbeeld. Ik ken geen positiever mensbeeld dan het christelijke. De mens als schepsel van een menslievende God, geroepen om deel te nemen aan de gemeenschap van de Triniteit, bedoeld voor het eeuwig leven in gelukzaligheid. Wat wil je nog meer? Welk positief mensbeeld kan daar tegenop? Ik was dus benieuwd. Mijn belangstelling werd nog groter toen bekend werd dat Sander Kollaard in een voormalige pastorie op het Zweedse platteland woont. In de kamer waar in vroeger dagen de dominee zat te zwoegen op zijn preek, schreef hij de bekroonde roman met het positieve mensbeeld.

Ik nam en las. Vóór in het boek staat een motto uit Genesis 3, 19: Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen; stof ben je, tot stof keer je terug. Geeft Genesis 3,19 een positief mensbeeld? Het is alvast heel wat aardser dan het zojuist geschetste christelijke mensbeeld, al wordt het de katholiek letterlijk ingepeperd op Aswoensdag, vooral de laatste woorden: stof ben je en tot stof keer je terug. We zijn op zoek naar het positieve mensbeeld van Sander Kollaard. Al op de eerste bladzijden van de roman krijgen we het mensbeeld van Henk, de hoofdpersoon van het boek. Henk is i.c.-verpleger – een actueel beroep – zij waren de mensen die in de coronacrisis het hardst nodig waren. Hij moet denken aan een gesprek na het werk met zijn jonge collega Saskia 28 jaar. Henk is 56. Ze hadden het over het hart, en Saskia wist dat het hart een pomp is, niet meer en niet minder. In zijn hoofd speelt zich het gesprek af dat hij had willen voeren, maar op het moment zelf wist hij niet veel in te brengen. Saskia heeft natuurlijk gelijk. “Het hart pompt, het bloed stroomt. We zijn spul. Om het preciezer te zeggen: we zijn biologisch geanimeerd spul. In mijn ogen is dat een feitelijke constatering maar verbazingwekkend veel mensen verzetten zich daartegen. Alleen maar spul! Hoe kun je dat beweren? Wat kil en vreugdeloos! Het verzet komt neer op het idee dat we meer zijn dan alleen maar spul. Dat we een ziel hebben, of een geest, een innerlijke god, iets nobels of bijzonders wat ons boven de platte materie verheft. Het is een sentiment dat echo’s in zich heeft van eeuwen waarin we dachten dat we bijzonder waren, de kroon op de schepping of het logische en schitterende eindpunt van de evolutie, maar we weten inmiddels beter. Niets heeft ons bedoeld of gewild of bedacht. Niets maakt ons noodzakelijk. Anders dan veel mensen vind ik dat een verrukkelijk, bevrijdend inzicht. We kunnen doen en laten wat we willen en zijn aldus werkelijk vrij, niet gebonden aan heilsplan of bestemming” (blz. 14).

Goed, als Henk hier Sanders mensbeeld weergeeft dan is op die domineeskamer het christelijke mensbeeld in gruzelementen gevallen. Platte materie. Niets heeft ons bedoeld of gewild of bedacht. Er is geen heilsplan en geen bestemming. We kunnen doen en laten wat we willen. Dit is heerlijk, verrukkelijk, positief, en het krijgt de hoofdprijs. Even nog wat meer Henk en zijn gedachten over het spul dat we zijn. “Ik ben spul dat al miljarden jaren voor mijn geboorte bestond en tot mijn grote geluk in 1961 deze vorm heeft aangenomen. Met mijn dood zal het die vorm weer verliezen. Dat vind ik een verdrietig vooruitzicht – ik ben, ondanks de evidente tekortkomingen, aan mijn vorm gehecht – maar wie weet zullen stukjes en beetjes van het spul dat nu mijn naam draagt ooit weer samenkomen in andere vormen, zoals een kat, of een wolk, of een roman, of een kus. Is dat plat? Is dat kil of harteloos. Ik zie er juist grandeur in.”

Nu genoeg Sander Kollaard, genoeg Henk. Genoeg positief mensbeeld, dat – tussen haakjes – inderdaad wel eens het mensbeeld zou kunnen zijn van de huidige geseculariseerde mens. Het mensbeeld van mijn kinderen, het mensbeeld van uw familieleden, ja misschien is het uw eigen mensbeeld wel. Wat moeten we nog met Micha en Mattheüs? In Mattheüs willen de mensen van Jezus “een teken”. Wat voor teken? Tegen de achtergrond van “Uit het leven van een hond” kun je zeggen: het teken dat de mens van Jezus wil hebben is het onomstotelijk bewijs dat het christelijk mensbeeld het ware is, niet het materialistische, het spul-mensbeeld. Jezus geeft dat teken niet. Hij geeft geen ander teken dan het teken van Jona, namelijk dat Jona werd opgeslokt door een grote vis. Eten en gegeten worden, dat is dus precies het materialistische mensbeeld. En Micha? De oudtestamentische profeet? Ik beperk me tot het laatste vers. Ik zet dat tegenover het positieve: we zijn vrij, we kunnen doen en laten wat we willen. Wat zeg Micha? “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.” Ik zou bijna zeggen: leven als een hond. Een hond is trouw, doet alleen maar wat een hond moet doen, is nederig en gaat de weg die God voor hem heeft beschikt …

maandag 13 juli 2020
Lezing: Jesaja 1, 11 – 17 en Mattheüs 10, 34 – 11,1

Wie een tekst leest moet interpreteren. D.w.z. begrijpen wat je leest. Dan zijn er al twee spelers in het spel: de tekst en de lezer. De tekst heeft een eigen zeggingskracht en de lezer heeft een eigen verstaanskracht waarbij zijn of haar achtergrond een grote rol speelt. Dit geldt voor elke tekst, maar voor een tekst als de bijbel des te meer. Toch lijkt het alsof Jesaja 1, 11 – 17 onmiddellijk inzichtelijk is. “Wat moet ik met jullie offers? Zegt de HEER. Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer. En wanneer jullie voor mij verschijnen – wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen? Houd op met die zinloze offergaven. Ik heb een afschuw aan jullie wierook; jullie feesten, nieuwemaan en sabbat, ik duld ze niet naast al dat wangedrag. Van jullie nieuwemaan, van ál jullie feesten heb ik een afkeer, ze hinderen mij, ik kan ze niet langer verdragen. Wanneer jullie je handen opheffen, wend ik mijn ogen af, ook als je aanhoudend bidt, luister ik niet. Aan jullie handen kleeft bloed! Was je, reinig je, maak een eind aan je misdaden, ik kan ze niet meer zien. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta weduwen bij.” Nou, daar is geen woord Latijn bij, of beter geen woord Hebreeuws. In fris Nederlands zet de NBV hier een oeroude tekst om in een hedendaags sentiment dat elke rechtgeaarde atheïst of godsdiensthater zal herkennen. Hé wat? Staat dat in de bijbel? Ja, dat staat in de bijbel. Alleen al omwille van deze tekst moet je de bijbel nooit bij het oud papier zetten.

Maar nu naar de tweede lezing uit Mattheüs 10, 34 – 11,1. Mattheüs is een van de vier evangelisten die elk op hun manier een venster openen op Jezus. Er openen zich dan verschillende vergezichten, maar de overeenkomst is toch die wonderlijke man die weldoende rondtrekt, zieken geneest, de mens boven de sabbat zet, vrede sticht en zonden vergeeft. Hij verkondigt overal het goede nieuws dat het koninkrijk van de hemel ophanden is. O ja, zeggen de al eerder genoemde, rechtgeaarde atheïsten en godsdiensthaters: wat doe je dan met Mattheüs 10 vers 34? “Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” Er zijn mensen die nagenoeg niets van de bijbel kennen, maar dit vers kennen ze wel. Ze brengen het triomfantelijk in stelling en zetten je mat in drie zetten en daar ligt je koning. Staat dat in het evangelie? Ja, dat staat in het evangelie, ik kan er ook niets aan doen. Wat moet je er mee? Ik zou zeggen: nog even doorlezen en kijken waar dit op uitdraait. En het is ongelooflijk waar dit tekstgedeelte mee eindigt, namelijk: “En wie een van deze geringe mensen een beker koel water te drinken geeft alleen omdat het een leerling van mij is, ik verzeker jullie: die zal zeker beloond worden.” Dat oorlogszuchtige begin met dat zwaard heeft dus als inzet dat je iemand een beker koel water te drinken geeft, iemand uit de Jezusbeweging. Dat zwaard is niet uit op macht, op het veroveren van kolonies zoals de christelijke koning Leopold de Vrijstaat Congo veroverde met kruis en zwaard om zijn zakken te vullen, of zoals de christelijke Christoffer Columbus uittrok om wat hij Amerika noemde als wingewest toe te voegen aan de macht van de zeer christelijk koning van Spanje, of dichter bij huis onze eigen VOC die “ons Indië” met zwaard en kruis bedwong om er de rijkdommen weg te slepen waar onze welvaart nog steeds op teert. Ik heb het over wereldwijde acties waarin de standbeelden van foute helden van hun sokkel worden getrokken en in zee gekieperd, ik heb het over de twistgesprekken die verdeeldheid brengen tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder, precies zoals het evangelie zegt in het vervolg van de zwaard-tekst.

Wat moet je doen? Die beker koel water geven, of zorgen dat je houdt wat je hebt? Vasthouden wat je hebt of delen? Solidariteit of ieder voor zich? Die vraag verdeelt als een zwaard niet alleen de wereldpolitiek, maar even goed de Europese en de landelijke. Ja, die vraag brengt wellicht verdeeldheid aan in jezelf en zolang die vraag niet bevredigend is opgelost zal er geen vrede zijn in jezelf. Ach, ging iedereen maar het klooster in als een stille trappist of als een waakzame claris. Dan zou de HEER uit Jesaja tevreden zijn, en zou dat glas koel water geven van Jezus gerealiseerd worden. Het rijk der hemelen was dan ophanden.

maandag 6 juli 2020

In de profetische tekst van Hosea is de verhouding van God tot zijn volk uitgetekend als die van bruidegom en bruid, man en vrouw. Omdat we tegenwoordig inclusief denken kan ik ook zeggen man en man, vrouw en vrouw: het is de liefdesrelatie die telt. Wie de oudtestamentische geschriften een beetje kent weet dat het altijd een moeilijk huwelijk is geweest … God en zijn volk. Zijn volk is ontrouw, het pleegt overspel, loopt achter vreemde goden aan. In principe is het zo dat het volk niet gelooft in de levende God, het gelooft in wat het recht voor zijn ogen ziet: het is nooit anders geweest. Maar God – bij monde van zijn profeten – geeft nooit op. Hosea heeft pure poëzie. “Daarom zal ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar hart spreken.” “En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd.” “Op die dag sluit ik voor mijn kinderen een verbond met de dieren van het veld en met alles wat vliegt en kruipt. Ik maak een einde aan het geweld van boog en zwaard, zodat ze in rust en vrede kunnen leven.” Welke vader wil dit niet voor zijn kinderen, welk mens zou zijn hart sluiten voor deze goddelijke verlokking? Waarom geloven we niet?

Nu zijn we goed voorbereid voor het verhaal van Mattheüs. De overste van een synagoge komt naar Jezus toe, valt voor hem neer en zegt: “Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom alstublieft en leg haar de hand op, dan zal ze weer leven.” Zonder formulieren of protocollen staat Jezus op en gaat met die overste mee om die dode dochter de hand op te leggen zodat ze weer zal leven. We stellen geen kritische vragen, we gaan met Jezus mee in het verhaal. Maar dan komt er iets tussen: “Plotseling naderde hen van achteren een vrouw die al twaalf jaar aan bloedverlies leed. Ze raakte de zoom van zijn bovenkleed aan, want ze dacht: als ik alleen zijn bovenleed maar kan aanraken, zal ik al genezen worden.” Een vrouw met bloedverlies was cultisch onrein, een taboe dat wij gelukkig niet meer kennen. Maar in de context van het verhaal is zo’n vrouw dood voor het sociale leven. Afstand houden, en nog wel een beetje méér dan anderhalve meter. We moeten deze vrouw bewonderen, ze is inventief, creatief, moedig: de zoom van zijn bovenkleed moet toch wel kunnen? Hoe loopt dit af? Wel, Jezus is kennelijk gevoelig tot in de zoom van zijn jas, hij voelt dat iemand toenadering zoekt. Hij draait zich om en bij het zien van de vrouw zegt hij: “Wees gerust, uw geloof heeft u gered.” En vanaf dat moment was de vrouw genezen, zegt Mattheüs sobertjes.

Maar zijn we niet op weg naar de dode dochter van de synagogeleider? Inderdaad. Daar aangekomen komt Jezus een heidens kabaal tegemoet: een luid weeklagende menigte en fluitspelers. Niet de plek waar – om met Hosea te spreken – in alle stilte tot het hart van het meisje gesproken kan worden. Of het een afleidingsmanoeuvre is weet ik niet, maar Jezus zegt: ga maar naar binnen, het meisje is immers niet gestorven, ze slaapt. Men lachte smalend, zegt Mattheüs. Je kunt je daar iets bij voorstellen, want hoe zou dat meisje kunnen slapen bij dat kabaal? Als ze sliep was ze daar toch wakker van geworden? Van de andere kant is het storend dat men lacht: dit zijn toch geen serieuze mensen? Dat geweeklaag is toch fake? Je zou toch nog liever dood zijn dan verder te moeten met dat stelletje lolbroeken en herrieschoppers? In ieder geval wordt iedereen weggestuurd, de rust daalt neer, en Jezus gaat naar binnen. “Hij pakte het meisje bij de hand, en ze stond op.” Dit is alles wat Mattheüs ons vertelt. Wat dat betreft doet Mattheüs me aan Wittgenstein denken met zijn beroemde uitspraak: waarover je niet spreken kunt, daarover moet je zwijgen. Maar Hosea heeft gesproken! Hosea heeft gesproken over de woestijn waar God tot het hart spreekt. Jezus heeft tot het hart van het meisje gesproken. Als God tot het hart van de mens spreekt wordt die mens levend. Dat is het geloof van de gelovige. Ongeloof ziet er vanuit dat perspectief uit als langdurig bloedverlies, ja zelfs als dood. Maar ongeloof is als een slaap, je kunt gewekt worden. Christelijk geloof is een opgewekt geloof …

maandag 29 juni 2020
HH Petrus en Paulus
Lezing: Handelingen 12, 1 – 11;
2Timotheüs 4, 6-8.17-18; Mattheüs 16, 13 – 19

Met mijn maandagpreken zit ik wat de grote feesten betreft altijd “de dag erna”. De beste wijn is de vorige dag geschonken en gedronken. Ik vind dat prima, het geeft me geen kater terwijl het euforisch gevoel nog niet verdwenen is. Vandaag maandag 29 juni heb ik nu eens wel een hoogfeest, het hoogfeest van de apostelen Petrus en Paulus. Wie de serie “Jezus verovert de wereld” volgt (EO, Kefah Allush) heeft vorige week gezien dat de resten van Petrus begraven liggen onder, onder, onder de Sint Pieter (ik ben niet aan het stotteren, maar zo kun je aangeven dat onder het hoofdaltaar een ander altaar ligt, daaronder weer een dieper altaar en daaronder ten slotte het graf van Petrus); de resten van Paulus liggen begraven in de basiliek van Paulus buiten de Muren (van Rome), maar hun beider schedels zijn bijeengebracht in de Sint Jan van Lateranen. De twee koppen konden nogal eens hard botsen, maar dat zullen ze nu niet meer doen. Ach, het zijn aardige weetjes, Kefah Allush is een open, aardige, nieuwsgierige man. Dat het allemaal zo oppervlakkig is, kan op de televisie kennelijk niet anders.  

Voor de diepte moeten we in de teksten duiken die de kerk voor dit hoogfeest heeft uitgekozen. En dat ga ik nu doen. Wie is Petrus? Daarvoor kijken we naar het verhaal van Mattheüs 16, 13 – 19. Daar vraagt Jezus aan de leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is’? De antwoorden zijn anders dan wij zouden geven; er komen geen gegevens van de burgerlijke stand of wat biografische achtergronden; nee, de antwoorden proberen iets van de ziel aan te duiden – ga er maar eens aan staan, probeer het maar eens – als ze melden: sommigen zeggen “Johannes de Doper”, anderen zeggen “Elia”, weer anderen “Jeremia” of “een van de andere profeten”. Deze pogingen geven wel aan in welke richting de mensen denken als ze met Jezus te maken hebben. Maar dat is wat “de mensen” zeggen. Wat zeggen zijn leerlingen? Wie ben ik volgens jullie? En dan komt Petrus: “U bent de messias, de Zoon van de levende God.” Dit antwoord maakt Petrus tot degene die hij is. Wie is Petrus? Petrus is de man die op de vraag van Jezus naar zijn identiteit het antwoord geeft: de messias, de Zoon van de levende God. Dit antwoord maakt hem tot de rots waarop Jezus zijn kerk zal bouwen, tot de eerste bisschop van Rome, en terugblikkend tot de eerste paus van de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk. Dit antwoord is zo goed – dat vind ik wel grappig aan deze passage – dat Jezus zegt: “Gelukkig ben je Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel.” En Jezus vervolgt: “En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt, zal ook in de hemel ontbonden zijn.” Kijk, en daarom kun je beelden van Petrus altijd thuisbrengen: hij draagt twee sleutels en dan weet je: dat is Petrus.

In Handelingen gaat het ook over Petrus; Paulus komt er in de lezingen maar bekaaid af. Daar horen we het fantastische verhaal van de gevangenschap van Petrus. Herodes wil Petrus doden. Het verhaal vormt een soort echo van het verhaal van Jezus. Aan de vooravond van zijn beoogde dood slaapt Petrus in de kerker. Hoe je dan kunt slapen is mij een raadsel, maar Petrus is altijd een goede slaper geweest. In de hof van Olijven sliep hij ook prima. Daar ligt hij te slapen. Dubbele sloten, dubbele wachten. Maar zijn sleutels zijn magisch. Zelf denkt Petrus dat hij droomt, maar als hij wakker wordt is hij uit de gevangenis, uit de greep van Herodes die hem wil doden. Hem is nog enige tijd gegeven vooraleer hij volgens de vrome overlevering sterft zoals zijn leermeester Jezus, zijn Heer en God: aan het kruis, maar dan ondersteboven.

Gaat het vandaag helemaal niet over Paulus? Jawel, in de tweede brief aan Timotheüs is hij zelf aan het woord. Hij schrijft – Paulus was een groot brievenschrijver – “Mijn bloed wordt als een offer uitgegoten, het moment waarop ik heenga nadert. Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien.” Petrus en Paulus zijn de grote heiligen van de Kerk. Veel mensen heten Peter of Piet en Paul, namen waar niemand zich voor hoeft te schamen. Zouden zij ooit anderen de vraag voorleggen: wie zeg je dat ik ben? Waarschijnlijk niet: de ander zou vreemd opkijken en niet weten wat te antwoorden …